je houding geeft wat noodig is, om in de grootste gezelschappen te verkeeren, zonder dat je er al tijden van tevoren over behoeft te piekeren.
Verlegenheid is een kwaad, dat met een beetje goeden wil, geheel overwonnen kan worden.
Jalouzie.
Dat is een grooter kwaad en *t heeft al veel narigheid in de wereld gebracht.
Zou er wel één mensch geboren worden zonder een greintje jalouzie? Ik kan 't haast niet gelooven. Ook dit heeft de een in mindere mate dan de ander. Er is jalouzie in graden!
Ik was een kind van vijf jaar, toen ik me voor 't eerst bewust werd, wat het wil zeggen jaloersch te zijn.
Een nichtje van me, even oud als ik, logeerde bij ons.
Het kleine Haagsche meisje had een mofje van wit hermelijn, waarmee ze parmantig, de handjes in glacé gestoken, met m'n moeder en mij door AmsteFs straten kuierde.
Nu waren een mof èn glacé handschoentjes m'n hoogste aspiraties.
O, het kleine, bonte mofje! Ik sloop, als het nichtje met m'n poppen speelde naar boven, haalde het uit de kast, lei er m'n wang tegen, of ging ermee heen en weer wandelen met de zwier waarmee ik het de groote menschen had zien doen.
Vreeselijke plannen gingen door m'n jaloersche bol. Ik zou het op den dag van m'n nichtje's vertrek wegmoffelen, onder in de speelgoedkast b.v. en al kon ik er dan naderhand niet mee wandelen, dan zou ik het zachte mofje, met de rose zijden voering, toch telkens in verrukking kunnen bekijken en be-streelen.
Als we in die dagen samen op straat liepen, zij met de
130