taartvorkje, ziet heelemaal voorbij, dat er óók nog een lepeltje aan den anderen kant lag, dat je gevoegelijk kunt gebruiken met het vorkje als steun.
„Ik laat de taart liggen, 't kan me niet bommen,” denk je, maar je doet het niet, want het werd je teveel ingeprent, dat het onbehoorlijk staat.
De harde korst zeult langs je bordje, dreigt telkens in je schoot terecht te komen.
Dan komt het vreeselijke moment, waarop je tafelheer, die je een Adonis vond, je angstige pogingen ziende, met een engel van 'n glimlachje je het lepeltje toeschuift.
Dat je non niet meteen door den grond zakte . . .
Nu is ie plotsklaps je vijand en je begrijpt niet, dat je hem eerst zoo'n prince charming vond.
Je blijft de rest van het diner houterig of onverschillig tegen hem en 't is géén wonder, als hij je niet bepaald een ideale tafeldame vindt.
Och, meisjelief, was allemaal niet noodig en je hebt je een boel narigheid bezorgd, die voorkomen had kunnen worden.
’t Is niets erg, als er op een diner eens 'n klein stukje taart naast je bord terecht komt, 't gebeurt iedereen wel eens.
Als je dan onbevangen lacht, er een grapje over maakt en de vluchteling met je lepel weer op het taartbordje schept, dan zal er niemand zijn, die je bespot of je niet ladylike vindt.
Tracht kalm te zijn in je bewegingen en trek met energie tegen je verlegenheid te velde.
Ga van het standpunt uit, dat jou geen ongelukje kan overkomen. Dan komt er een zekere rust over je, die datgene aan
9 129