Anneke las:
Wanneer het Kerstfeest nadert En sneeuw de velden dekt,
Dan is het of nooit de zon meer De bloemen tot leven wekt...
„En, als er nu geen sneeuw ligt,” zei Anneke practisch.
Vader lachte,
„Dat is een dichterlijke vrijheid,” zei hij. „Dat begrijp je nog niet kleine meid. En bovendien, het kan toch immers best sneeuwen.”
„Ja, dat is zoo,” zei Anneke en gooide haar krullen naar achteren. Maar moeder zei schalksch: ,/t Zal zeker wel moeten rijmen, is 't niet?”
Nu had vaders fantasie hem door tien coupletten heen meegesleurd. Hij was langs de donkere dagen voor Kerstmis aangeland bij de stralende blijheid van het Kerstfeest en de laatste strophen waren een ode aan Slotheer en Slotvrouw, die in de groote zaal de lichten deden stralen voor de kinderen van het dorp. De lichten, die, zooals vader poëtisch hoopte, zouden weerkaatsen in de harten der kinderen, om daar de vreugde en de dankbaarheid in volle gloed te ontsteken.
Anneke vond het vers prachtig, maar erg moeilijk. Ze begreep het heelemaal, zei ze trotsch. Ook de donkere dagen en de vreugde en de dankbaarheid droegen haar goedkeuring weg en Ze begon meteen, het tongpuntje tusschen haar tanden geklemd, te leeren. Na een week kende ze het vers half, en de dag vóór de groote avond op het Slot, kende ze het heelemaal, als ze tenminste niet tegelijk aan wat anders dacht.
Die laatste schooldag was gewijd aan het zingen van Kerstliederen en het vertellen van Kerstverhalen, maar de plechtige stemming, die de wat stijve onderwijzeres uit de laagste klassen zoo graag had gewenscht, was ver te zoeken. De kinderen waren druk en rumoerig, en fluisterden voortdurend onder elkaar
116