187
„M’ri hart is er goed genoeg voor,” lachte Gerritsen. „Maar ik zal het decorum weten te bewaren. En toen alle glazen weer gevuld waren”: „Kinderen, jullie in al je overmoed denkt aan uur noch tijd, maar Ome Gerritsen denkt aan de Moeders, de vrouwen en dochters, die wachten met de bik, die staat de zudderen! Hoe in-gezellig ons samenzijn ook was, we moeten er nu een eind aan maken. Eén dronk aan ons aller lieveling en één aan z’n allerbekoorlijkste harem.”
In vrolijke stemming ging het gezelschap uiteen en de Greef beweerde, dat het toch eigenaardig was, dat je uit een „verbitterde stemming” meestal in zo’n rooskleurige stemming kwam.
Waarop Gerritsen zei, dat het van het aantal bittertjes afhing en een teveel van dit edele vocht een verkaterde stemming teweeg kon brengen.
De Greef, monkelend op z’n gewone kantoortoon zei, terwijl hij z’n tafeldame de hand tot afscheid reikte: „Juffrouw de Boer, ik ben u nog steeds het antwoord schuldig op uw vraag van enige dagen terug. Ik heb er eens over nagedacht en wat mij betreft kunt u de plaats van juffrouw Everhart houden.”
Marie de Boer straalde, want in de afgelopen maanden was ze tot het besef gekomen, dat het op de tikkamer heus nog niet zo kwaad was en een andere betrekking ook niet voor het grijpen lag. Dit weten had gemaakt, dat ze minder onaardig had gestaan tegenover de eerst zo veelgesmade „schapen”, die van hun kant ook meer vrede met „de Boer” hadden gekregen. Zo was ook deze moeilijkheid opgeheven.
„Kom, Clem,” zei Ans, haar zuster tot opstaan aanporrend. „Blijf je hier zitten vanavond?”
„Ik zou er best wat voor voelen,” lachte Clem. „M’n benen zijn loodzwaar, ik ben niet meer gewend sherry te drinken!”
„Ik heb ook een lichte schwips!” gichelde Jes. „Gerritje, ik zie er nog van komen, dat je zes licht benevelde vrouwen naar huis moet loodsen!”