i 86
u voor mij bedacht? Dat zou ik wel eens graag willen weten.
„Kerel, neem nog een borrel,” noodde Gerritsen. „Je wordt hoe langer hoe fideler! Dames, geneer je niet, verklap hem gerust het werkelijk tedere naampje, dat ge hem toegedacht hebt.”
„Rob,” waarschuwde Ans, die bang was, dat hij te overmoedig zou worden.
Ze keken allen op bij dat „Rob” van Ans. Was het zó intiem tussen haar en Gerritje? Uit Ans kon je nu toch nooit wijs worden, die was — hoewel ze werkelijk één der hunnen was geworden — toch de geslotenheid in persoon.
„Ik begin te geloven, dat het geen vleiende naam is,” zei de Greef, toen er geen antwoord op zijn vraag kwam.
„Het tegendeel, is waar,” zei Gerritsen. „Ze noemen
je ”
„Gerritsen!!!!” waarschuwend klonk het uit de meisjesmonden, maar Gerritsen, in één van z’n dolle buien jubelde: „Ons aller lieveling! Is het vleiend of niet, darling?”
Zes beschaamde meisjesgezichten en een vermaakte chef, die er schik in had het geitenweitje zo verlegen te zien.
„Gééf me nog een borrel, kerel! Ik ben wat je noemt in m’n sas! De lieveling te zijn van zes aardige meisjes, dat is een fortuintje, dat niet iedereen zo maar in de schoot valt. Maar, ik heb ’t er naar gemaakt, dat zul je moeten toegeven. Ik maak me sterk, dat de dames me morgenochtend in „Morgenstimmung” stiekum „Ons aller Isegrim” zullen noemen en ik ben nog nuchter genoeg om niet te weten, dat het „lieveling” een tikje sarcastisch bedoeld is. Never mind, als ’t er op aankomt kunnen we het toch best met elkaar vinden, niet waar, dames en de verhouding tussen geitjes en herder is nog niet eens een van de slechtste. Wie spreekt het tegen, dames?”
„Ober, vul de glazen!” riep Gerritsen. „Daar moet op gedronken worden!”
„Gerritsen, denk er aan, dat je in een behoorlijke gelegenheid bent,” plaagde de Greef. „Geen hi, ha, ho’s, alsjeblieft!”