185
maakt. „Keurig neemt-ie plaats naast de oudste van ons weitje!”
Maar toen de borrel voor hen stond, de crocquante zoutjes binnen zijn bereik geschoven waren, toen toonde hij zich weer van de kant, die de meisjes zo weinig van hem kenden en die maakte, dat al wie met hem in nauwere aanraking kwamen zich met zijn geest en humor amuseerden.
Het strijkje speelde, er was een va-et-vient van mondaine vrouwkes, de sfeer die er heerste was van zo heel andere aard, dan de meisjes het op hun tikkamer gewend waren.
„Wat is het hier zaa&lig!” riep Mar in verrukking uit.
„Iedere week zo’n uitje!” vond Jes. „Wat zouden we ons slavenbestaan dan licht tellen!”
„Heeft u het zó zuur, juffrouw van Dongen?” vroeg de Greef.
„Hemeltje neen,” zei Jes verschrikt, want het was maar een grap van haar geweest en ze had de Greef’s aanwezigheid geheel vergeten. „Maar als je al die weelde-madam-mekes om je heen ziet, dan slaak je wel eens zo’n verzuchting.”
„We hebben het nog helemaal zo kwaad niet op onze wei,” constateerde Lotte, die zich allerbehagelijkst voelde. „Gerritje,” ze hief haar glas. „Prosit, jong en dat je het nog mag brengen tot Alleropperste van ons Blad!”
„Wat krijgen we dan wel voor een fuif?” lachte Mar.
„Dan gaan we met het hele zwik naar de revue van Louis Davids!”
„Vóór ’t zover is zal ik er toch maar liever in m’n dooie eentje naar toe gaan,” zei Jes. „Of denkt u, meneer de Greef, dat Rinus Rimpel ons eens fuiven zal?”
„Jes heeft te diep in haar advocaatje gekeken,” plaagde Mar.
„Is Rinus Rimpel onze Opperste?” vroeg de Greef vermaakt.
„Hééft Zijnedele dan geen geploegde rimpels op het schone voorhoofd?” lachte Ans.
„Die krijg je als je zoveel soesah aan je hoofd hebt,” stelde de Greef vast. „En dames, welke schone naam heeft