184
„Ga gerust je gang,” moedigde Lotte haar aan. „Gerritje zal er niets tegen hebben.”
„Wedden, dat de lieveling vanmiddag van de partij is?” vroeg Ans. „Zo is die man nou! Eerst moet hij over z’n vooroordelen heen en zijn streng begrip van wat wèl en niet kan en even daarna heeft hij er vrede mee en is-ie de beminnelijkheid zelf. Ik geloof, dat hij één voortdurende ruzie met zichzelf heeft. En ik blijf bij mijn bewering van altijd: de kwaadste is hij lang niet!”
„Is-ie niet om te zoenen?” vroeg Mar, toen de beide heren vertrokken
waren.
Dat Ans goed gevoeld had gaven ze allen van harte toe, toen ze die middag gezellig in een voor hen gereserveerde hoek van Trianon zaten en de lieveling hun kant uit zagen koersen.
„Verduveld aardig van hem!” riep Gerritsen verheugd uit.
„Een genoegelijke pan,” monkelde de Greef terwijl hij zich neerzette naast Marie de Boer.
„Wat is-ie toch een vormelijke man,” dacht Mar ver