i8i
„O, dat vinden ze best, ze gunnen me dolgraag een pretje. Maar... ik vind het griezelig om alleen binnen te moeten komen in Trianon! Kom je me even aanhalen, Ans?”
„Welneen, haas!” plaagde Ans. Maar Clem’s benauwd gezicht ziende, zei ze gauw. „We komen je met z’n allen ophalen, het ligt toch op onze weg.”
Waarop Clem straalde bij het vooruitzicht wat haar goeie dametjes wel zouden zeggen als ze het grote gevolg zagen, dat haar, Clem, kwam ophalen.
„We zullen hem een gezamenlijke bloemenhulde sturen,” zei Ans. „Maar niet naar kantoor, dan vilt hij ons, maar naar z’n kamers.”
Rob kwam die avond niet en Clem stelde voor ge-noegelijk thuis te blijven, want ze kregen nu toch weer de bloemen-bijdrage en dan was het maar overdaad om nu weer geld voor een film uit te geven en ze zaten zó knus bij mekaar, het zou jammer zijn er nu uit te trekken. Hetgeen Moeder en zuster volkomen eens met haar waren.
Toen Ans de volgende morgen op kantoor kwam werd ze direct met de vraag bestormd, wat ze wel zei van die enige invitatie van Gerritje. Het klonk haar vreemd in de oren, dat „Gerritje”.
„Dames,” zei ze op de de Greef’s toon. „Mag ik u beleefd er op wijzen, dat men van de chef van Administratie niet van „Gerritje” mag spreken.”
„We zullen ’t waarachtig ook niet doen waar anderen bij zijn!” beloofde Jes. „Zeg, zou hij de lieveling genood hebben?”
„Bê-je!” kreet Mar. „Dan zou alle gemoedelijkheid foetschie zijn.”
„Daar heb je ’m,” waarschuwde Leni.
„Storm in aantocht,” fluisterde Mar naar Jes.
De Greef zette zich aan zijn bureau, begon zwijgzaam zijn dagelijkse arbeid.
Men kon een speld horen vallen, want als de bui van hun chef op storm stond waren de meisjes onder een hoedje te vangen.