i7i
„Tja,” Stans deed een beetje schutterig. „Daar kwam ik juist voor; ik zou graag ziet u... de Zuster waar ik zo’n tijd in huis ben en waar ik zoveel aan te danken heb, heeft me voorgesteld bij haar te blijven en de zorg voor de patiënten met haar te delen. Ik hoop, dat u het niet onaardig van me zult vinden of ondankbaar, nadat u zolang de plaats voor me open heeft gehouden, maar, ziet u, ik geloof, dat ik toch niet meer geschikt zou zijn voor zulk zittend werk. Ik ben nu zo gewend allerlei huishoudelijk werk te doen en als ik in huis klaar ben laat de Zuster me in de tuin werken. Ik geloof heus niet, dat ik meer in stad zou kunnen aarden.”
„En wat zeggen ze er thuis wel van?” informeerde de Greef vriendelijk, want in zijn hart was hij blij „die lastige tante” kwijt te raken.
„Thuis vinden ze het fijn, u moet rekenen, ik was niet één van de gemakkelijkste thuis en ze zijn, o, zo blij, dat Stansje weer een behoorlijk mens is geworden.” Ze zei het met iets als bevrijding en er was niets meer van de oude hatelijkheid in haar stem. „Ik zal minder gaan verdienen, dan ik hier deed, maar dat hindert niet, je hebt buiten zoveel minder nodig voor je toilet. O, daar is moeder Broese,” viel ze zichzelf in de reden.
„Wew heb ik me daaw nou!” riep verheugd moeder Broese uit. „Stansje, mekind! Ik zaw gauw een bakkie voow je bij hawen! Wat ziet ze d’w goed uit! Je bent hondewd pwocent jongew gewowde, Stansje!”
Ja, dat vonden de anderen ook. Het leek of Stans nu pas een echt jong meisje was.
„Ik moet nog even om een boodschap,” zei de Greef. „Als ik terug kom zie ik u zeker nog. U moet uw beterschap toch even op de oude tikkamer vieren. Er wordt straks dan wel dubbel hard gewerkt, niet waar, dames?”
„Natuurlijk, meneer!” werd er van harte ingestemd met „onze menselijke lieveling”.
„Ik fuif op boterkoeken!” jubelde Mar.
„Sam-sam!” vond Jes en ze maakte van haar clips-bakje een centen-dito. Iedereen offerde.
„Engelemens!” dit tot moeder Broese, die vol welgeval-