i6g
mijn laatste ademtocht genoemd te worden, onthoud dit, mijne dames.”
„Rob Gerritsen,” herhaalde Mar. „Ja, dat is een heel passende naam. Je bent een gezellige Rob, daar gaat geen cent van af. Als we onder ons zijn zullen we je zo noemen, maar als je Groenou de Tweede bent, zullen we je het respect doen toekomen waar je van rechtswege aanspraak op moogt maken.”
„Zijn dat nou geen venijnige wezens, mevrouw? Hoort u de spot, die uit haar woorden klinkt?”
„Neen, dat ben ik niet met u eens, ik kan me best voorstellen, dat de meisjes er zo over denken en het lijkt me voor uzelf ook beter toe, dat er afstand bewaard wordt.” „Ik krijg het er benauwd van!” lachte hij. „Als dat zó gaat, denk ik te bedanken voor de baan, het zou me teveel gaan drukken, dat mijn genoeglijke vriendinnen van de tikkamer niet meer zo onbevangen tegenover me stonden als dat van het begin af het geval is geweest.”
„Wat is dat een prettig type,” zei Mevrouw Terhoeve, toen de jongelui vertrokken waren en ze met haar dochters nog even nababbelde over het avondje, dat zo merkbaar naar ieders wens was geweest.
„Wie bedoelt u, Moeder?” vroeg Ans.
„Die Gerritsen. Je hebt nooit veel van hem verteld, wel van de anderen, die herkende ik helemaal uit je verhalen.” „Ja, gek is dat! Ik begrijp zelf niet hoe dat komt. En er was toch genoeg van hem te vertellen. Hij is de beste kerel, die er op twee benen rondkuiert. Een echte kameraad. Ik geloof, dat er niemand in de zaak is, die niet van hem houdt en hij is één van de weinigen, waar nooit op geroddeld wordt. En dat zegt wat in een zaak met zó’n groot personeel!”
Mevrouw Terhoeve had dien nacht enige slapeloze uren, iets, dat haar de laatste maanden niet zo vaak was overkomen. i
Ze dacht er over hoe gerust ze zou zijn, als één van haar meisjes een man vond, die was zoals Robert Gerritsen.