i68
„Een mooie gastvrouw ben ik! Jullie kunt zien, dat ik het ontvangen ontwend ben.”
„Deze keer mag ik helpen,” bood Gerritsen aan.
„Vooruit maar, ik heb wel graag een page! Zeg Gerritje, daar heb ik zo net over zitten peinzen: hoe heet jij eigenlijk? Ik ben anders nogal sterk om de mensen de voornamen van het gezicht te lezen, maar...”
„Anton Gerritsen,” veronderstelde Mar.
„Mis!”
„Nicodemus Gerritsen,” opperde Jes.
„Is mijn gezicht zó?” rilde Gerritsen.
„Rudolph?” raadde Leni.
„Valentino! Neen, niets voor mij.”
„Wacht even, Gerrit Gerritsen,” veronderstelde Miep.
„Wel ja, zoiets als Rinus Rimpel. Toch klinkt- het niet eens zo gek.”
„Leopold Gerritsen.” Clem vond dit een bepaald passende naam voor hem en het speet haar te moeten horen, dat ze het ook mis had.
„En u, mevrouw, probeert u nu ook eens mijn voornaam te raden?”
„Moeilijk,” vond mevrouw. „Albert, misschien?”
„Warm, warm, warm, u is er bijna, het scheelt tenminste heel weinig.”
„Bert!” riep Ans, in de stellige overtuiging, dat zij het geraden had.
„Aardig, je Moeder en jij waren er het dichtst bij, toch is het even anders, mijn naam is... wie raad er nog één keer?”
„Robert!” zei Leni.
„De Cherubijn heeft het geraden! Robert, inderdaad, maar er is maar één wezen, dat me zo genoemd heeft en dat is een achternicht van mijn Vader, die ieder jaar veertien dagen bij ons kwam logeren en dan voor Robèrt — zoals ze zo deftig kon zeggen — een buultje knikkers mee bracht. Ik was al zestien, toen het goede mens nog aangesjouwd kwam met knikkers voor het lieve Robèrtje! Verder heeft iedereèn me Rob genoemd en zo wens ik tot