167
„Dank je Clem, ik ben blij, dat één vrouw het tenminste voor me opneemt. Uit louter dankbaarheid heb ik een opdracht voor je. Mijn lieve zus is over twee maanden jarig en die heeft in jouw zaak...”
„Was ’t mijn zaak maar,” lachte Clem.
„Wat nog niet is, kan komen,” troostte Ans haar. „Als de drie brave zielen op hun lauweren gaan rusten, maken ze jou baas in hun goed-beklante zaak en naderhand word je universele erfgename.”
„Kinderen, spot er niet mee,” waarschuwde mevrouw Terhoeve. „Ik voel meer voor het op hun lauweren gaan rusten van die drie beste dames.”
„Goed, dan mogen ze rusten,” stemde Gerritsen in. „Maar eerst moet het tafelkleed, neen het theekleed, heet zo’n ding niet zo? voor mijn zuster gemaakt. Ze heeft het van de week in de étalage zien liggen en vond het, o, beeldig!!! Wil jij zo’n ding voor haar maken, Clem en er moeten, wacht even, ik heb het opgeschreveri, hier, daar heb ik ’t: bloemen in diverse pastel-tinten, verdere ornamenten in goudbruin.”
„Enig, Gerritsen, kan ik fijn in m’n avonduren maken, een reuze meevaller! Je bent een schat, hoor en ik zal maken, dat je zuster er tevreden mee is.”
Een dankbare blik van Ans naar Gerritsen. Wat zat hij daar genoegelijk naast Moeder, dacht ze, en hij scheen zich zo echt thuis te voelen. Moeder glunderde bij die bestelling aan Clem. En was ’t niet echt iets van hem, om als enige haan in de korf met alle geitjes mee te komen? Je kon echt zien, dat hij genoot van de huiselijkheid, hij scheen op dat punt werkelijk niet veel gewend te zijn. Gek eigenlijk, dat ze hem allemaal Gerrit je noemden en niemand wist hoe zijn voornaam was. Hoe zou hij heten? Welke naam paste bij Gerritsen? Of hij werkelijk niet veranderen zou, als-ie officieel aangesteld werd als opvolger van de oude heer Groenou?”
„Ans, zou je niet nog eens inschenken?” vroeg haar Moeder, die bemerkte, dat de theekopjes leeg raakten. Ans sprong op.