i6i
Ans zag Sjoerd aankomen, die zich eveneens een weg door de opdringende menigte trachtte te banen en ze zag hem rond spieden.
„Hij is z’n aanhangsels kwijt!” fluisterde Leni, die Sjoerd naar hen toe zag komen.
„Geef mij je nummertje maar,” zei Sjoerd, die tot Ans was doorgedrongen. „Kan ik je straks nog even spreken?” „Misschien wil hij me m’n geld terug geven,” dacht Ans vermaakt, en hardop vroeg ze: „Moet je dan niet bij je gezelschap blijven?”
„O, die zijn vooreerst nog niet klaar, die hebben zich naar de paskamer begeven en daar kan ik toch niet op wachten. Is ’t goed, dat ik even mee oploop?”
„Mij best!” zei Ans onverschillig.
Leni „wenste zich bescheiden terug te trekken” zoals ze Ans vlug influisterde en Ans, met een verstolen lachje, gaf haar een olijk knipoogje.
„Zul je je Moeder bedanken voor het allergezelligst middagje?” vroeg ze, toen ze buiten komend afscheid van Leni nam.
„Zeg Ans,” haperde Sjoerd, terwijl hij naast haar voortliep. „Ik heb nog geen gelegenheid kunnen vinden je die tien pop terug te geven. Zit je er erg om verlegen?” „Wat geeft het of ik je dat zeg? Daar heb ik ze toch niet mee terug.”
„Ik zal proberen ze de volgende week van Moeder los te krijgen. Ik heb een verblijdend nieuwtje voor haar, dan is ze allicht wat scheutiger.”
„Doe je examen?”
„Ja, dat ook, maar dat duurt nog wel even. Neen, ik heb een ander nieuwtje en dat wilde ik jou meteen even vertellen. Ik zou het niet aardig vinden jou, als goede vriendin, dit door een verlovingskaart te laten weten. Ik ga me verloven, Ans.”
„Wel, dat is een verheugend feit.” Ans constateerde met vreugde hoe weinig die plotselinge tijding haar deed. „En zeker met ’t meisje Boelnes?”
„Ja, met Dodo Boelnes.”
Het Geitenweitje
II