159
„Wat zeg je?” vroeg Ans, die ijverig aan het noteren was.
„De dikke ,Ma van de kastanje dochter. Zie je die begerige ogen in dat vollemaansgezicht? Ze ziet zichzelf al in dat glinsterende pantsertje! O, neen, ik heb haar valselijk beschuldigd, de robe is voor dochterlief. Je vriend gaat zich er ook mee bemoeien. Aller ogen zijn gericht op...” „Ik wist niet, dat jij zo’n kostelijke spotster was, Cherubijn!” genoot Ans van Leni’s onbevangen praten, zo heel anders, dan ze het op kantoor van haar gewend was.
„Ik ben zo echt in m’n knollentuin vanmiddag,” zei Leni. „Ik had toen we gingen loten al zo’n stille hoop, dat ik met jou zou gaan en dat het nu zo fijn is uitgevallen maakt me bepaald overmoedig. Je weet niet half, Ans, hoe vereerd ik me voel, dat de sous-chef van de tikkamer met me mee wilde gaan. Ik dacht, dat er een reuze afstand tusschen jou en mij zou zijn en ’t is me zo meegevallen, dat je je er helemaal niet op laat voorstaan.”
„’t Is ook nogal wat om je op te laten voorstaan! Ik krijg minstens evenveel uitbranders van de lieveling als de anderen en het sous-chefschap brengt me geen cent extra in m’n uitgeputte kas.”
„Zou je niet op de Redactie kunnen komen?” peinsde Leni.
Ans schoot in een lach.
„Eerst kijk je hoog op tegen mijn functie op de tikkamer en nu wil je me maar direct op een andere afdeling hebben!”
„Omdat je over je uitgeputte kas sprak,” verontschuldigde Leni zich. „Zal ik Moeder eens vragen of er daar niets voor je is?”
„Welneen, daar mis ik voorlopig alle capaciteiten voor. Je moet toch zelf weten, dat er het nodige vereist wordt voor redactiewerk.”
„Ja, dat is wel zo, maar jij steekt toch boven alle anderen op de tikkamer uit, ik geloof vast, dat ze jou op de Redactie best kunnen gebruiken.”
„Weet je wat,” lachte Ans, die schik had in de ijver van Leni haar een betere baan te bezorgen. „Ik zal een