156
„De paar heren die er zitten lijken nèt krenten in een wittebrood,” lachte Ans. „Vader vond het altijd een bezoeking als-ie met Moeder mee moest naar zoiets. En als wij dan zeiden: „Gaat u dan niet!” dan lachte hij en zei, dat-ie er toch liever bij wilde zijn als Moeder haar aankopen deed. Dat was in de goede tijd, snap je, Cherubijn?” „Je Vader leeft niet meer, is ’t wel?” vroeg Leni. „Neen, hij is vrij plotseling gestorven, zowat twee jaar geleden.”
„Mijn Vader leeft wèl, maar hij is toch zo goed als dood voor me.” Leni zei het bitter. „Vader en Moeder zijn gescheiden en Vader is hertrouwd met een veel jongere vrouw. Moeder voelde zich tè gegriefd om een toelage van hem te willen aannemen en daarom heeft ze haar oude, journalistieke werk weer opgevat. Het is reuze van de Directie geweest, Moeder direct weer een plaats in te ruimen en toen ze naderhand vroeg of er ook iets voor mij was, kreeg ik onmiddellijk dit baantje. Je kunt denken hoe dankbaar we zijn, want we kunnen er, hoewel zeer bescheiden, toch komen zonder een cent van Vader te moeten accepteren. Ik vertel jou dit in vertrouwen, Ans, je wilt het wel voor je houden, niet waar?”
„Spreekt van zelf,” beloofde Ans. „Fijn, dat je Moeder en jij zo zelfstandig kunnen zijn. Het is vreselijk iets te moeten aannemen van iemand die je niet sympathiek is. Dat hebben wij ook aan den lijve ondervonden, ik kan er dus van meepraten. Ach, kind, ik geloof, dat ieder huisje wel z’n kruisje heeft en het weten hiervan geeft je kracht om te dragen wat je nu eenmaal dragen moet. ’t Is heerlijk, dat je Moeder en jij het zo best met elkaar kunt vinden, dat is alweer een groot voorrecht.”
„Ja, dat is zo, stel je voor, dat het anders was geweest. Je hoort zo vaak van meisjes, die het thuis niet prettig hebben, dat had ook mijn lot kunnen zijn. Maar Moeder is een ongelofelijke schat, altijd even opgewekt en ze weet van alles een feest te maken. En zo sterk is ze, ze kent geen twijfel. Hoe ze aan zo’n schuchtere haas van een dochter komt, is me een raadsel. Toch ben ik, sinds ik op het geitenweitje ben, een stuk flinker geworden en jij hebt me echt