154
„Daar is wel wat van aan,” gaf Miep direct toe. „Maar dat de lieveling me bizonder gedeukt heeft, daar gaat geen haar van af.”
„Gek is dat toch,” zei Gerritsen, toen Miep vertrokken was. „Dat altijd hakken op jullie baas. De vent is heus niet een van de kwaadste. Ik mag hem graag.”
„Zolang er bazen en zolang er personeel is, zal er gemopperd worden, Gerritje,” zei Jes. „Heb jij de lui op de verschillende afdelingen wel eens enthousiast over hun bazen horen praten?”
„Waarachtig wel! En heb je mij ooit horen sputteren op m’n baas?”
„Dat komt omdat jij niet als jongste bediende in de zaak bent gekomen,” zei Ans. „Er is tussen jou en je baas een hartelijke verhouding en ik heb horen fluisteren, dat jij die brave oude heer zal opvolgen als hij van z’n pensioen gaat genieten. Geen wonder, dat je dan niets te klagen hebt, maar als je, zoals wij, armzalige tikmeubels, voor een klein loontje zit te ploeteren, dan is het geen wonder, dat je opstandig wordt en natuurlijk zie je dan zelfs je baas erger dan hij in werkelijkheid is.”
„Wie heeft je dat verteld?” vroeg Gerritsen verbaasd. „Mens, de mossen tjilpen het van de daken!” lachte Mar. „Ik had jullie er met een stevige borrel in de een of andere genoegelijke gelegenheid mee willen verrassen.”
„Is het dan al zo ver?” vroeg Ans.
„En ik dacht, dat je het wist! Dat is een mal-a-propos! Daar ben ik ingevlogen! Spreken jullie er nog met niemand over, alsjeblieft. Ons aller Opperste heeft me de blijde tijding juist een paar dagen geleden doen geworden.” „Je bent toch een eenvoudige engel, Meneer Gerritsen,” plaagde Mar.
„Hemel, ja, nu kunnen we niet zo familiaar meer met hem omgaan. Adieu Gerritje, voortaan zullen we nederig voor je buigen en je menéren!”
Jes zei het op dramatische toon.
„Zaw je geweewd wowden,” spotte Gerritsen. „Mijn vriendschap voor het geitenweitje is voor eeuwig! En zo