153
haar huishoudkas is, nu gaan de deuren verder voor me open en word ik in de huiskamers binnen gelaten. Jullie weet niet, hoe fijn ’t is, als ik: kip ik heb je, kan zeggen! En het brengt warempel nog een aardig duitje op ook. Vader was er eerst niet over te spreken en vond het een beetje vernederend voor de dochter van een ambtenaar. Maar hij is gelukkig helemaal over dat dwaze vooroordeel heen. Stel je voor, dat men er in deze tijd nog over denkt of iets, dat je op fatsoendelijke wijze doet, vernederend genoemd kan worden. Iedereen is op het ogenblik blij als-ie een baantje heeft en ik ben zo dankbaar voor mijn zeeppoe-der-agentuur, waar ik onze niet zo vette beurs mee aandik en m’n vrije uren nuttig mee besteed.”
„Miep, je bent een kraan!” riep Gerritsen enthousiast. „En ik zal m’n hospita zeggen haar zeeppoeder bij jou te betrekken.”
„Mag ik dan uw adres noteren?” vroeg Miep op de zakelijke toon, waarmee ze de huismoeders imponeerde aan wier huizen ze aanbelde.
„O, Miep, het zal een genot zijn jou aan het werk te zien,” zei Mar.
„Kun je niet bij ons komen als ik thuis ben en dan doen we eerst net of ik je niet ken.”
„Natuurlijk kan ik dat doen, op een Zaterdagmiddag dan, ’t is wel niet zo’n geschikte dag voor de aanbieding van mijn artikel, maar ik zal ’t er toch op wagen. En nu ga ik moeder Bwoese bewerken! Jullie dachten toch niet, dat de eer alleen voor het geitenweitje was?”
„Wat een zakenvrouw!” steunde Jes. „Miep, je bent totaal veranderd!”
„O, ik ben in staat om de lieveling een offerte te maken,” lachte Miep. „Die man heeft toch heus, tijdens miin verblijf hier, een verlammende invloed op me gehad. Ik bèn inderdaad een ander wezen geworden.”
„Nou niet weer alle schuld op je cx-baas gooien, meisje,” berispte Gerritsen haar. „Je hebt door je succes de nodige lef opgedaan, maar als het mis was gelopen, of als je toevallig met stofzuigers op het pad had moeten gaan, dan zou je heus niet zo’n moed gekregen hebben.”