136
Broese. „Wil je geloven, dat wij ons Frans, Duits en Engels nog niet eens — zoals jij het zo mooi noemt — onder de knie hebben?”
„Yo soy amado-tü es amado- él es amado...” prevelde Marie en deed alsof ze niet gestoord wenste te worden. Het was haar bedoeling, die opschepperige kinderen eens goed te laten merken, dat zij geen belang stelde in hun onbenullige praatjes.
„Amado?” zei Mar langgerekt. „Wat is .amado? Van aimer natuurlijk; dat valt me nou weer buitengewoon van je mee, de Boer, dat je direct met 1’amour begint.”
De hele gemeente schaterde. Ze hadden Marie best door en begrepen, dat ze hen wilde intimideren.
„’t Is toch een gekke geschiedenis,” dacht Ans, terwijl ze het laatste hapje van haar brood naar binnen werkte, „dat er in ieder kippenhok ruzie onder de andere kippen is als er een nieuwe kip naar binnen gebracht wordt! Die de Boer is een vervelend wezen, daar gaat niets van af, maar waarom we dat nu weer allemaal zo hoog nemen is me een raadsel. Als we haar gewoon in ’r sop lieten gaarkoken zou de aardigheid van al haar grootdoen er gauw af zijn. Maar het schijnt voor ons allemaal een levensbehoefte te zijn zo iemand in één klap knock-out te willen timmeren. Wat ons bij de Boer heus niet lukken zal, want die voelt zich ver verheven boven de kleuters van de tikkamer. Toch was-ie goed van Mar, en ze had haar netjes door.” Vroeger dan gemeenlijk zijn gewoonte was kwam de Greef de tikkamer weer binnen.
De meisjes constateerden, dat hij „z’n gewichtige loop” had.
„Daar broeit wat!” wees Jes door het manuaal te maken van een kip die op een ei zit, waarbij Mar in één van haar schaterlachen uitbarstte.
De lieveling zette zich neer aan zijn bureau, kuchte eens — dè gelegenheidskuch — zoals de meisjes het korte kuchje noemden, dat meestal aan een speech vooraf ging.
„Dames,” mompelde hij. „Ik bedoel — hij lachte — m’n oude dames! — ik heb een prettig nieuwtje voor u. Het heeft ons aller Opperste behaagd, u voor het vele over