13°
„Een getrouwde zuster met drie bengels-van-kinderen, die haar handen vol werk geven. Dat is al wat ik hier heb, want mijn ouders leven niet meer. Ik woon op kamers, mijn zuster heeft het veel te druk om er nog een broer bij te hebben, ’t Gaat wel eens geducht vervelen, dat op kamers wonen, maar wat zul je er aan doen? Gelukkig houd ik dolveel van lezen en ik heb ook nog wel andere liefhebberijen, dat helpt je over saaie winteravonden heen. Tenslotte kun je niet eeuwig uitgaan... Wanneer komen de nieuwelingen?” vroeg hij, als om de aandacht van zichzelf af te leiden.
„Volgende week,” zuchtte Mar.
„Wat zucht ge, dame? Zijt ge bang voor concurrensje?” plaagde hij Mar.
„Bê-je! Ik vind het alleen maar een tegentippel! Ik had nog best wat vrije avonden willen missen. Heb jij niets voor me te tikken, Gerritje?”
„Nou, dat is nog niet zo onmogelijk.”
„Schrijf je een roman?” informeerde Jes.
„Zie ik daar naar uit?”
„Leid hem nou niet af!” drong Mar aan. „Heb je misschien iets voor me?”
„Ik zelf niet, maar ik heb een kennis die wel eens wat te tikken heeft, ik zal m’n best voor je doen. Heb je trouwplannen, Mar?”
„Was ’t maar waar! Ik heb een beeld van een deux-pièces op ’t oog.”
„Dat is niet zo mooi. Heb je ’t al eens geprobeerd met boorwater?”
„Hè, draak! Of-ie niet beter weet!”
„Neen, alle gekheid op een stokje, ik zal mijn best voor je doen, Marretje. En als oom Gerrit zoiets belooft...” „Je bent een dierbaarling,” zei Mar enthousiast.
„Dat is-ie,” stemde Jes in, nadat Gerritsen naar zijn afdeling was verdwenen. „Hij is altijd even opgewekt en toch geloof ik, dat hij niet zo’n fleurig bestaan heeft, ’t Lijkt me tenminste niets gezellig, als je hard gewerkt hebt, thuis te moeten komen in een kamer, waar geen mens op je wacht.”