121
ben dan vroeger, en niemand is daar zó blij mee als die goeie Vader van mij, die zijn leed zo dapper heeft gedragen en altijd alles in het werk heeft gesteld om ons het gemis zoveel mogelijk te vergoeden.”
Jes wachtte weer even en allen zagen ze, hoe ontroerd ze was.
„Er is nog een heleboel goeds in ons leventje, maar geen Moeder te hebben en te weten, dat alles goed had kunnen zijn, kinderen, dat is zo’n zuur gevoel en daarom zei ik, dat het voor Miep minder hard moet zijn haar Moeder dood te weten, dan voor ons, die onze Moeder nog in leven weten, maar haar zorgen nooit gekend hebben en geen enkele lieve herinnering aan haar hebben.”
Het geitenweitje was heel dien dag stil en de lieveling dacht, dat meisjes toch erge sentimenteeltjes zijn om zich door de dood van een toch al opgeschreven Moeder van een van hun collega’s zó uit de flank te laten slaan.