120
misschien nog erger was, dan je Moeder door de dood te moeten verliezen. Maar als Jes er niet over kon spreken, dan was het beter er verder over te zwijgen. Het was echter niet gemakkelijk het gesprek over een andere boeg te gooien.
„Het is toch maar een feit,” zei Ans, die het gevoel had, dat er toch iets gezegd moest worden, „dat je, als je zo iedere dag samen bent, mekaars lief en leed echt gaat delen. Waarom zouden we anders zo gedrukt zijn onder Miep’s leed?”
Een plotseling-begrij pende blik uit Jes’ ree-bruine ogen.
Natuurlijk kon ze er over spreken. Waren ze niet geworden als één grote familie?
Dan zei ze, en haar stem stokte:
„Ik heb mijn Moeder verloren, omdat ze ons verliet toen ik zes, en mijn jongere zusje anderhalf was. Moeder is zangeres en ze was altijd veel van huis. Toen kwam er iemand, in haar leven, die meer voor haar betekende, dan Vader en wij.”
Jes zweeg even, maar direct ging ze door:
„We hebben haar nooit meer terug gezien en ze is gelukkig naar een ander land gegaan met haar tweede man. Vader is nooit weer hertrouwd en hij is alles voor ons, maar wat het voor ons kinderen is geweest om zonder Moeder op te groeien, dat kunnen jullie je helemaal niet vóórstellen. Als je bij andere meisjes op bezoek komt, en je ziet de vertrouwelijke omgang, die er meestal is tussen Moeder en kinderen, dan voel je je eigen gemis nog sterker. In mijn hart is niets dan afschuw voor de vrouw, die ons verliet toen we haar het hardst nodig hadden. Er wordt bij ons thuis nooit over gesproken en toen we nog klein waren dachten we, dat Moeder dood was, maar toen we groter werden heeft Vader het ons verteld en daarna is er verder over gezwegen. Ik ben blij, dat ik het eens heb kunnen uitspreken en het bewijst, hoe ’n hartelijke band er tussen ons allen is. Laat het dan maar de tikkamer zijn, het geitenweitje, maar er is op geen enkele afdeling zo’n hartelijke sfeer als bij ons. Daar ben ik dankbaar voor, want het heeft gemaakt, dat ik het laatste jaar veel opgewekter