van hem het prachtige lint —, daar zat hij.. en uit de versche heugenis beeldhouwt ze in de ruimte boven den stoel zijn gestalte —, nu zal ze hem nooit meer vergeten.
Het stralend-bonte lint hangt zacht en warm over haar hand, ze windt het langzaam om haar drie aan-eengelegde vingers tot een losse, dikke rol —, ze aait het met haar wang, drukt haar neus ertegen, ademt erin met lippen half-open. Wat is het zacht, wat ruikt het zoet, wat blinkt het in de oogen!
Hun kijken naar haar en praten in vreemde taal was niet heelemaal prettig, maar ze hebben vriendelijke, lieve dingen over haar gezegd.
Wat zouden ze wel hebben gezegd..?
Hè. . ? Wie. . ? Wat. . ? Wat zeg je.. ?
Is dat vader, is dat moeder? En hoorde ze die niet binnenkomen? Ze deden de deur open en kwamen het gangetje door en kwamen de kamer in en ze heeft er niets van gemerkt. .
„Wat deed je dan, waar was je dan mee bezig?”
„Ik..?” en het warme rood dat weer naar haar wangen trekt, schijnt ditmaal uit het aller-diepste van haar zelf vandaan te komen.. „Ik., ik keek., ik keek. . ik keek naar me-zelf. . in den spiegel. .”
200