Gelukkig, daar trekt oom Zeeiik vader bij tien arm uit den kring Vandaan, hij lacht en schudt zijn hoofd, groote broer lacht ook een beetje, maar vader kijkt ernstig. O. . ze begrijpen het al, er is iets in sjoel gebeurd, er is weer iets met den nieuwen Rebbe. En moeder weet het ook, anders vroeg ze er wel naar. Maar wat. . maar wat?
„Loop jij met de kleintjes vooruit.”
Als vader wat zegt, dan helpt er geen pruttelen, ze moeten oom Zeeliks handen loslaten en groote broer trekt ze mee. Misschien dat hij iets zeggen wil.
„Wat is er. . wat is er in sjoel gebeurd?”
Flauwe aardigheid hoor, om nu stil te staan en dood-verbaasd te kijken, zijn wenkbrauwen hoog en zijn mond in een rondetje en zijn oogen wijd open en met zijn hoofd beurt om beurt naar ze toe als de dame met het stokje op het orgel van Stap.
„Iets gebeurd. . zeg jullie? Iets gebeurd, zeg jullie, in sjoel?”
„Je weet het héél best en je moet het maar zeggen.”
Nu doet hij net of het ineens hem weer in gedachten schiet. En eer ze erop verdacht zijn, haalt hij ze met een ruk allebei naar zich toe.
„Kom hier dan! Moor toe dan!”
Ach, ze verstaan niemendal, hij zegt ook niemendal, hij deed maar zoowat van pss. . pss met de lippen.
„Zeg het dan. . ”
]a goed. . hij zal het zeggen. Ze zijn ook eigenlijk groot genoeg, ze mogen best alles weten! Maar o. . wat doet zijn maag hem daar zeer en van honger kan hij niet praten.
Wat eten ze, wat eten ze! De derde boterham proef je pas, de twee eerste glijden als pillen door je keel en ploffen op den bodem van je schoonlecge maag. Ze hoeven pas laat naar bed en daarom laten ze maar kalmpjes de eene boterham op de andere volgen.. een
Ml