begeerlijk om te wezen, want rustig en koel... En wat was 't gloeiend heet aan boord, wat was Sarima brommerig, Kardoesje dreinerig en vervelend.
Gerda ondervroeg nu de baboe.
Had Kardoesje gegeten? Had zij zelf gegeten? Nonnie had niet gewild en 't kind had gelijk. Wat was dat voor vuile boeboer... tjies... die ze haar wouen laten slikken? En zijzelf, nóü, zij had geen honger, zij had sakit-hati, gróót verdriet. Was dat een idee van mevrouw geweest, om alleen op reis te gaan? Was mevrouw maar liever bij de toean gebleven, en had haar bij Sidin gelaten!
Gerda wou even de oude baboe berispen om haar vrijpostigheid, doch ze liet 't maar. De hele maand waren zij en 't oude mensje immers op elkaar aangewezen, en als Sarima eenmaal boudeerde, dan had je haar nog niet weer in haar humeur!
Ze zei dus alleen, dat Sarima niet moest praten als iemand, die zijn verstand kwijt is; ze wist immers héél goed, dat mevrouw op reis móést omdat ze zenuwachtig was.
Gingen niet alle dames op reis, die zenuwachtig waren?
'Betoel,' bromde de baboe en goedig bood ze aan, met Kardoesje wat op en neer te lopen aan dek, dan kon mevrouw een beetje slapen.
Gerda gaf haar verheugd het kind in de slendang en legde zich languit in de rieten stoel, 't Kussentje schoof ze zich onder de wang en sloot de ogen om te slapen, maar er was zo een wirwar van gedachten in haar hoofd, dat ze al gauw afzag van haar pogen, die tot rust te brengen.
Hoe zou ze nu doen, met 't hotel op de berg? Haar kamer huren per week of voor de hele maand? Johan had gezegd, bij de week was beter, jawel, maar dat deed hij natuurlijk, omdat-ie dacht... Als 't goedkoper uitkwam, huurde ze voor de hele maand. Ze had sago genoeg voor Kardoesje, wel twintig rollen, ze zou zuinig wezen met haar geld. Wel vervelend, dat ze waarschijnlijk geen enkele kennis zou aantreffen, maar ze ging niet voor plezier, doch om beter te worden, omdat iedereen naar Poeloe-Sirih ging, die beter worden moest...
Morgen vroeg de aankomst-dan leuk winkelen in Broad-Street;
93