de wal; het houten hekje werd met een smakje in de railing gezet en van onder op kwam hoorbaar al luider het grommelend gestamp van de machine, die aanving, de 'Guinea' in gang te zetten...
Kleiner en kleiner werden de grauwe pakhuizen aan wal, werden de jonken en prauwen, die daar lagen vastgemeerd of los dobberden verderop; kleiner werd het kleurig gewoel van sjouwend werkvolk. En Johan, die voortdurend nog wuifde, stond er eenzaam en onbeweeglijk in z'n blanke pak temidden van de beweeglijkheid en de kleurigheid rondom hem. Onder de neerschaduwende hoedrand was zijn gezicht niet meer te onderscheiden. Nu wuifde hij ook niet meer, en keerde zich om en ging heen. Achter de goederenloods verdween hij, Gerda zag hem gaan door een floers van tranen, dat plotseling over haar ogen waasde, ze bleef nog staren en nu hij weg was scheen plotseling véél verder de wal en 't mensengewoel daar leek 't doelloos-schijnend gewriemel van een nest mieren.
Ze keerde zich om en het zich neervallen in een lange rieten stoel, op 't punt in schreien uit te barsten. Maar daar stond ineens de kap'tein voor haar, met een verholen lach onder z'n rode snor en met hem, in houding van afwachten, correct en stijf, de beide Engelsen. Die dienden toch even voorgesteld te wezen, voordat ze straks te zamen aan tafel zouden gaan.
Even was ze boos op de kap'tein, maar dan begreep ze, aan z'n nu openlijke glimlach, dat hij haar wou afleiden en ze lachte terug wat verlegen en bloosde onder 't voorstellen, terwijl de beide Engelse jongens óók blozend een correcte buiging maakten.
Het waren twee stevige, wélgebouwde jongens van vijf- of zesentwintig jaar, met knappe, gladgeschoren gezichten, de een blond, de ander donkerbruin. Maar dat maakte met die kortgeknipte haren niet bijster veel verschil en Gerda kreeg de indruk, dat ze broers waren. Ze vroeg er hun naar en de jongens lachten met grote, witte tanden, vermaakt, en vertelden, dat iedereen ze voor broers hield-vóór ze voorgesteld waren! Gerda bloosde nu weer om 't domme, dat ze hun immers verschillende namen vergeten had en ze lachte maar mee. De kap'tein had wat te drinken laten komen. De hofmeester kwam nu uit 't kombuis voor den dag met 'n hoge stapel borden, waarboven alleen z'n oplettend, ernstig gezicht uitstak.
89