achtereenvolgens naar het heerlijke berghotel gegaan op dat fraaie eiland aan de overzijde der zeestraat en vandaar teruggekomen met blossen op haar eigen wangen en op die van haar meegenomen spruiten, met baboes, die in weken niet uitgekakeld raakten over de wonderen van winkels, die ze hadden gezien in die grote, drukke Engels-tropische stad ? Nu was zij zenuwachtig, nu moest zij er eens een maandje uit. Johan kon niet mee, jammer was het, maar ze zou zich best redden, uitstekend en zich niet vervelen met Kardoesje en met die gezellige ouwe Parima, die zo aardig babbelen kon. En wie weet, waren er geen Hollandse dames! Mevrouw Van Velpen had er zés aangetroffen, ze hadden club-gemaakt, een heerlijke tijd gehad. Samen theedrinken, samen een koelie naar beneden zendendeed je 't alleen, dan kwam 't te duur-om lekkere dingen te kopen in de toko bij Hurst, waar ze van alles hadden.
Maar die Johan, zó flauw... En anders was hij toch wel een goeie, lieve vent, het diende erkend te wezen... maar nu. Verbeeld-je, haar tegen te werpen, dat ze nooit alleen gereisd had! 't Was nogal wat, die reis naar Poeloe-Sirih... En dat ze niet met geld kon omgaan!
Dubbel-en-dwars idioot, want wié kon nu niet met geld omgaan? Je nam doodgewoon een portefeuilletje met kleine dollarnootjes mee-van vijf of hoogstens van tien-je bewaarde dat op je borst overdag, telde het 's avonds na en lei 't 's nachts onder j e hoofdkussen. Simple comme bonjour, dat had Johan moeten toegeven. Niets, lekker niets, had hij kunnen tegenwerpen. Toen was-ie tóch weer met wat anders gekomen. Ze zou heimwee krijgen! Nee, maar dat was toch té erg. Dat ze het geen maand zou kunnen uithouden zonder hem, wat verbeeldde zo een man zich toch wel! Ze waren niet in de wittebroodsweken, ze waren tweeëneenhalf jaar getrouwd! Ook hierop had Johan moeten zwijgen. Maar opgeven zijn verzet? O, nee, geen denken aan.
Ze zou zeeziek worden! Zij, zeeziek. Om uitje vel te springen was het. Wie was er zeeziek geweest in de Rode Zee-ja, in de Rode Zee, waar ieder fatsoenlijk mens zich kiplekker voelt-zij of Johan-zelf? Dat had ze 'm maar 's flink onder z'n neus geduwd.
En toen hij niets meer geweten had, was hij toch blijven zaniken
77