sef schonk haar rust. Van het ogenblik dat ze haar besluit had gezegd,-neen, eerder nog, van het ogenblik dat de gedachte eraan in haar was opgekomen, was het ten hemel opgestegen-geen gedachte die Hem ontging-dus wist God nu al welk offer zij brengen ging voor haar zonde. Het offer was zwaar, dat wist Hij ook, het moeilijke vasten, waartoe haar noch haar leeftijd, noch haars vaders wil verplichtte, al die zware uren in Sjoel, de eindeloze namiddag, als de kaarsen stonden te trillen in de bedompte warmte, als alle mensen wit en mat werden, gaapten met ingezonken ogen, verflauwend opzagen naar de klok. Dan toch vol te houden en met het besef, dat ze om halfeen maar naar huis had behoeven te gaan, om er een smakelijke tafel aangerecht te vinden,-koffie-met-room, een eitje, krentenbroodjes-zich zo innig ook voor God te verootmoedigen en in de diepten van haar hart te smeken, dat het kwaad haar vergeven mocht worden en dat ze met Zijn steun, niet nog meer en verder verdolen zou. En was dan aan het einde van de dag, in de avond, de Verzoening bezegeld door die ene hartdoordrin-gend-plechtige Sjofar-schal, dan mocht ze met de anderen huiswaarts keren en dan zou ze óók een eitje krijgen en zoveel krentenbroodjes mogen eten van de hoge stapel als ze wou-wat zou ze een verschrikkelijke honger hebben, en als 't dan maar niet met haar ging als met oude Sannetje Davids, die altijd na het vasten zo wee was, dat niets haar smaken wou en ze nuchter naar bed moest gaan. Want zoveel kwelling kon toch tot de boete niet behoren...
Ze keek op naar waar bij de deur Abraham stond en weer knikte hij lachend, als kiekeboe spelend haar toe.
'Ze doet het toch niet, vast niet,' bleef Japie nog doordreinzen.
'Ze doet het wel,' zei Abraham, zijn ogen in de hare.
Weer dat vluchtig rood over haar gezicht, vocht in haar ogen, die ze neersloeg,-toen ze weer opkeek, was hij al weg.
'Naar bed, hoor!' beval moeder, met een blik op de klok. Er hielp geen pruttelen tegen.
Maup lichtte een tip van het gordijn op.
'Wat waait het buiten.'
'Jij bent toch onderdak, jongen,' schertste moeder warm.
Leentje dacht aan Abraham, die nu eenzaam buiten ging, maar
243