Ze wisten dus niets en voelden niets, ook moeder niet, ze vonden haar alleen maar dwaas,-tot ineens Maup zei, met zijn wat hortende, doffe lach.
'Je hebt zeker een hoop zondes op je geweten. Gomets gegeten... ingebroken... je moeder geslagen...'
'Ach wel nee,' weerlegde Japie, kribbig, 'wat zou zij nu gedaan hebben? Een halve dag is voor haar altijd genoeg. Allemaal bluf-ferij, om groot te willen zijn.' Spijtig klonken zijn woorden, het hinderde hem dat hij nu een mededingster in het vasten kreeg.
'Ik begrijp er geen steek van,' bromde vader, wars van buitenissigheden. "t Is hollen of stilstaan met jou. De ene keer wil je helemaal niet en dan ineens een hele dag. Je weet toch wel dat 't Kol-Nidrei al begint?'
Leentje begreep dat ze 't veiligst was, als ze nu zelf ook maar eerzucht uitgaf voor haar motief. Ze trachtte haar stem een pruilende klank te geven. 'Dat gezanik van Jaap ook altijd. Hij denkt zeker dat hij maar alleen alles kan. Ik was het al weken lang van plan. Ik heb jullie allemaal maar laten praten. Verleden jaar dacht ik al: "als ik twaalf ben, dan doe ik het vast".'
'Je bedenkt je nog wel,' meende moeder. Abraham zweeg, hij neuriede een der synagoge-melodieën van de Rousj-Hasjono-dienst-zo neuriënd ging oom Izak ook altijd door het huis, als hij bij hen was, herinnerde Leentje zich plotseling-en het door de postzegels in Japie's doos spelend zijn vingers gaan.
'Wat een gek kind moet hij me vinden,' dacht Leentje, - op hetzelfde ogenblik stond Abraham op om heen te gaan. 'Hij denkt ook, dat het maar bluf en aanstellerij is.' Een eindeloos verlangen greep haar aan, de armen om hem heen te slaan en hem alles te zeggen, het benauwende geheim met hem te delen, opdat hij zou begrijpen dat haar besluit geen kindergril was, maar echte, zware boete, voor een echte zware zonde. En 't scheen haar ineens alsof zijn begrijpen zwaarder woog dan zelfs moeders begrijpen en of moeder 't niet zou hoeven weten, had ze 't maar aan hem verteld.
Maar 't ging niet en toen ineens bedacht ze, dat die eenzaamheid, waarin ze nu verkeerde, tot haar boete behoren moest.
God alleen wist het nu. Niemand dan Hij zou het weten. Dit be
242