licht,' knorde ze en wreef meteen een paar verraderlijke tranen weg. Abraham zat weer op zijn stoel.
'Je bent veel sterker dan ik, hoor,' plaagde hij Japie.
'Nietwaar, je het je op de stoel duwen. Je deed het erom, ik voelde het best.'
"k Zou kwaad worden, als 'k jou was,' kietelde Abraham.
Japie mokte.
'Zelf niet tegen plagen kunnen, maar kleine zusjes plagen, jawel!'
'Ze is zo klein niet meer,' viel vader Japie bij, 'ze is twaalf jaar, wat zou het, ze moet leren tegen een duwtje te kunnen.'
'Ik ben helemaal niet klein,' Leentje voelde met schrik, hoe onnatuurlijk hoog haar stem klonk, de anderen schenen het niet te bemerken, 'ik kan alles wat Jaap kan, net zo goed, ik kan ook wel een hele dag vasten, Jom-Kippoer... en ik zal ook een hele dag vasten, net zo goed als hij.'
't Was gezegd. O, wat hadden ze nu allemaal vreemde gezichten. God, ze zagen door haar heen, ze zat als bloot, als open, als doorschijnend weerloos onder hun blikken.
Vader las het op haar voorhoofd-had ze niet als klein kind vast geloofd dat ouders het kwaad van het voorhoofd der kinderen aflazen, kon zo iets toch niet zijn?-moeder had het onmiddellijk gevoeld, ze zag het duidelijk aan moeders ogen en Abraham, o, als hij het wist, dan wilde ze weg, dan moest ze vluchten, de donkere avond in en nooit, nooit, nooit hem meer onder de ogen komen...
'Jij een hele dag vasten,' kwam vader eindelijk. 'Wat is dat ineens voor een kippekuur?'
'Bluf, omdat Abraham er nu is, omdat hij klein meisje tegen haar heeft gezegd,' besliste Japie.
Een rode vlam schroeide even Leentje's wangen, haar ogen. Ze zocht woorden van weerspreking, maar vond niets dan de herhaling van wat ze al gezegd had.
'Ja, ik wil Jom-Kippoer de hele dag vasten en de hele dag in Sjoel blijven met moeder.'
'Maar meid, dat hou je niet uit, je kunt nauwelijks een halve dag. Je hebt altijd al hoofdpijn tegen de middag. Hoe kom je daar nu ineens zo bij?'
241