maar die van haar gruwen zou, had hij in haar binnenste kunnen zien, hij zo vroom en goed!
'Trekje toch niets aan van wat die ondeugende jongen tegen je zegt,' zei moeder naar haar overbukkend, daar ze haar hoofd hardnekkig afgewend hield.
Maar het was niet om wat Japie zei, dat Leentje zich weghield in het schemerige holletje boven moeders heup, tegen de warme arm aangedrukt. Als een lichte, helle flits was plotseling in 't donkere van haar gedachten een ingeving binnengeschoten, een klaarte in het verzonkene, troebele van haar inwendig wezen,-en nu dreunde het zacht in haar hoofd van de blijde schrik om dat plotseling besluit, maar de band rondom haar maag, die haar geweten was, ontspande zich, Het een gevoel van zoete verlossing, verruiming uit benarde druk, dat van die plek uit warmend uitgolfde door haar hele wezen heen...
Ze moest dat even in afgezonderdheid genieten-want de anderen ontslopen voelde ze zich, met het hoofd tegen moeder aan, half onder de tafelrand weg-het besef dat er een uitweg was, die naar de zekere vergeving van haar zonde leidde! En dan moest ze ook zich van haar schrik herstellen en haar gewoon gezicht kunnen tonen in plaats van het gloeiende, ontdane, dat ze tegen moeder hield, en gewone woorden spreken, in plaats van het gestamel in tranen, dat nu komen wilde...
Maar Japie het haar niet lang ongemoeid.
'Kijk daar, het kleine kindje, je moet bij moeder op schoot kruipen-je bent blind van de slaap, ga liever naar bed.'
'Plaag jij altijd je zusje zo?" Abraham greep Japie bij het oor. 'Je bent zo'n hef zusje niet waard, hoor!'
'Lief zusje,' hoonde Japie na, Maup grijnsde mee, Japie greep overmoedig nu naar Abrahams oor, de twee raakten aan 't stoeien, wierpen een stoel omver, deden de kofEe uit de kopjes storten, vader zag het lachend aan, moeder wat angstig voor haar boeltje, Maup verlangend mee te doen, maar niet durvend.
De stoornis had Leentje tijd gelaten zich te herstellen.
Ze lichtte het hoofd op, dat wat heet en rood van 't bukken voelde,-het lamplicht viel wreed in haar vochtige ogen,-'hè dat
240