Tegen de dwang (verhalen)

Titel
Tegen de dwang (verhalen)

Jaar
1907

Druk
1981

Overig
herdr 1981

Pagina's
248



erover te beginnen. Japie voelde zelf wel dat hij te ver was gegaan. Vuurrood en met een verlegen lachje had hij zich maar gauw weer over zijn postzegelalbum gebogen.

Abraham had vaag iets van de zaak vernomen, maar er op ingaan wilde hij niet.

'En kun jij nogal goed vasten?' schertste hij naar Leentje.

'Zij,' schetterde Japie, nog voor Leentje zelf antwoorden kon-en ditmaal was Leentje blij om zijn bemoeizucht,-'zij ziet om tien uur al wit om haar neus. Ze is niet schoolziek, maar vastendagziek. Als je zegt "krentenbroodje" valt ze van haar stokje. Eens op een keer heeft ze de klok acht minuten vooruit gezet,-want ze rook de koffie en de haringsla en toen kon ze niet langer...'

'Maar nu vast ze als een flinke meid een halve dag,' brak moeder Japie's woordenstroom af,-'precies tot halfeen, en als ze dan thuis komt, dan maakt Saar een lekker kop chocola voor haar klaar, en geeft haar een zacht eitje en een vers krentenbroodje en een paar lekkere beschuiten... niet waar meid?' Haar toon, terwijl ze opsomde, werd gaandeweg zangerig als neuriede ze deuntjes voor een zuigeling op schoot.

Maar Leentje beefde zozeer, dat ze niets zeggen kon. Binnen in haar kwam haar geweten weer op, dat zware en kille, rondom haar maag. Ze hadden allemaal makkelijk spreken over Grote Verzoendag, niemand van hen had immers zó iets ergs als zij op haar geweten. Maup had met een Christenjongetje samen op Sabbathdag een stuiver versnoept, die ze gevonden hadden,-het Christenvriendje had het geld gedragen en uitgegeven,-maar Japie had uitgemaakt dat Maup evengoed schuldig was,-Japie zou ook wel wat misdreven hebben, al was hij nog zo vroom,-'t woog allemaal niets, 't zonk altezamen weg, bij wat zij op haar geweten had: vreemde goden had ze aanbeden, het allerergste kwaad gepleegd: afgodendienerij! En zo zou ze naar sjoel moeten en zo zou ze naar Abraham luisteren, als zijn heerlijke stem de heiligste gezangen tot haar opzong, in 't weke kaarsenlicht, te midden van de mannen in hun doodskleren, hij zo mooi en Üef! Met wie ze zich tezamen had gedroomd als de gelukkige geheven uit 'Het Verdwenen Diadeem'! Hij, die haar toelachte, omdat hij niet wist, hoe ze was,

239

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.