tintelend goud de zon uit blauwe dampen opwaarts,-reuk van chrysanten kruidig, van meloenen zoet zweefde in de lucht,-wat had ze zalig-gelukkig kunnen zijn. Op de eerste Nieuwjaarsdag was hun eigen huis vol bezoek geweest,-ze had moeder mogen helpen met bedienen, hoe had de vruchtenwijn gefonkeld in de geslepen karaffen, en dan die reuk van koffie en wijn-ze dronk er niet van, maar genoot de geur-en het komen-en-gaan der bezoekers, de vrouwen in hun ruisende zij, met fonkelzwart van git, de mannen met hoge hoeden, zwarte jassen, schone boorden,-de vrouwen lachend, pratend met moeder, de koffiekopjes op de handen in hun brede schoten,-de mannen in ernstiger gesprek met vader, over sjoel-gaan en schnoderen,-over de jonge hulpgazzan, die dit jaar gekomen was om de oude Benjamins in 't minderen van zijn krachten bij te staan.
O, wat had ze gelukkig kunnen wezen, juist dit jaar.
In de opeenvolging van schone herfstdagen naderde de Verzoendag.
Ieder jaar gedurende de tien voorafgaande dagen, van dat ze een klein meisje was, bezon Leentje zich op het kwaad, dat ze in het afgelopen jaar had gedaan of gedacht en waarvoor ze vergeving moest smeken.
En dan beklaagde ze de mensen die ze aan grote zonden schuldig wist, ze beklaagde ze om 't ondragelijk zware schuldgevoel, waarmee ze optrekken moesten ter synagoge, de bange onzekerheid of voor zulk kwaad wel vergeving bestond. Aan de verdoolden, die God noch gebod meer eerden, en zelfs op de Verzoendag niet ter sjoel kwamen, aan hen dacht ze met een mengeling van afschuw en bekommering, deernis zó diep, dat het haar eigen geluk bedreigde.
Toen haar eigen zwaarste zonde nog scheen het bedrog tegenover juffrouw Bol in de leesbibliotheek, toen had ze zó aan de gedoopte Jood uit de sigarenwinkel gedacht en zich afgevraagd, hoe die man de Verzoendag doorbrengen zou en hoe hij zich dan voelen moest. En nu was zij zelf... o aan hem gelijk bijna... door het kwaad, dat ze als een loden brok in zich omdragen moest. Dat zware ding binnen in haar, boven haar maag, dat was haar geweten, voorzeker, waarover zó vaak thuis gesproken werd-dat ze onbewust het had
232