wind krachtiger en kouder dan zoeven? Zie, daar ging de lantaarnopsteker,-wat kwam hij laat in deze buurt,-zou ze hem volgen?-een ogenblik lichtte het in haar op, maar hij liep te snel, en ook, van zijn wezen ging geen bescherming uit.
Wetend, dat ze alleen in donker naar huis moest gaan, wilde Leentje zich vermannen in een vast voornemen niet meer aan haar wroeging, niet meer aan iets dat haar beangstigen kon, te denken,-het alles van zich af te stoten, maar juist dit opzettelijke, al te vaste voornemen werd haar noodlottig,-het verdrongene, het in krampachtige doodsangst achtergehoudene golfde met tergende hardnekkigheid de gesloten poort binnen, overspoelde haar ziel, zodat zij sidderde. Want dan leefde ook dadelijk de lucht om haar heen, dan waren er de loerende ogen, de luisterende oren, waarvoor haar diepste gedachten weerloos blootlagen en dan moest ze, dan moest ze juist voortdurend aan het zondige denken, dan dreef een macht, sterker dan haar wil, haar gedachten die geschuwde doolhof in, totdat ze eindelijk, wederom opschrikkend van een geluid, ineens heet van angst, met een gevoel als kon ze elk ogenblik onder de donkere bomen beetgegrepen en meegesleurd worden,-als een bezetene opsprong en rennende, de tanden opeengebeten, versmoorde kreten in de keel, in het duister voortstormde naar huis.
IV
Te denken, dat alles zo goed had kunnen zijn, zonder dat ene, 't welk haar nu de schoonste weken van het jaar verbitterde. Want wat ging er boven die vier weken in het najaar.de vierfeesteweken, waarvan de eerste het Nieuwjaar, de tweede de Verzoendag, de derde en vierde Loofhuttenfeest en Slotfeest brachten,-dagen zó stralend-feestelijk, zo hoog-plechtig, dat ook de overige dagen van hun glans en wijding overtogen waren, zodat het feestelijke en plechtige bijkans onverbroken, een maand lang in haar huis en in haar eigen borst vertoefde. Ja, boven het Pésachfeest met de Seideravond, met het gebloemde vaatwerk, de paasbroden, al het innige en tedere van dagen en avonden, daarboven stelde zij toch nog de
229