ze zich schommelen het, ogen dicht, het hoofd in willoze lijdelijkheid tegen de arm geleund, toen had het plotseling boven haar hoofd als in wolken gezweefd,-o, nu ze het herdacht, beleefde ze weer al de benauwenis van dat ogenblik...
Van de toppen der heesters was het laatste daglicht verstorven, het rozenperk in het donkere gras langzaam te loor gegaan,-de machine der houtzagerij tot zwijgen gekomen,-nu Leentje sidderend, als gedreven, oprees van de bank en rondom zich zag, leek alles op gruwehjke wijs veranderd, als betoverd. De ruimte om haar, waar de koele herfstavondwind ruisend door de bomen vlood, waar de lege banken in wijde boog stonden rond het duister grasperk heen, scheen haar plotseling vervuld van onzichtbare gedaanten, die haar gadesloegen en loerende dreigden. Ze was daar nu maar schijnbaar alleen, in werkelijkheid van alle kapten ingesloten en benard. Er waren ogen, die haar geheimste gedachten lazen, oren die haar woorden opvingen, nog voor zij ze uitgesproken had, het trilde overal van gruwelijke aanwezigheden,-evenals die middag op de zolder. Wat vriendelijk en vertrouwd was geweest-de banken-boog, de grasplek met het rozenperk, de heestergroep, had zich in spookse omtrekken verwrongen, waaruit onheil dreigde. Een suizeling voer door de stilte, waar binnenin iets scheen sidderend op barsten te staan. Weerloos, als naakt stond Leentje voor de bank, in het gevoel dat slechts roerloosheid haar redden kon, dat ze zou worden gegrepen als ze vluchtte, in haar rug, bij haar benen,-de vrees van zo menig nacht, als ze ook niet roeren dorst, wakker geslagen uit boze droom.
Toen schoot plotseling een schrik door haar heen als was haar hoofd een kooi, waarbinnen een gevangen vogel als dol tegen de wanden opvloog, één ogenblik als een bliksemschicht dat ze ijskoud werd en slap als liep ze leeg van dodelijke angst,-ze had geritsel vernomen, fluisterende stemmen; vale visioenen, ongedacht opgedoken uit oude, benauwde dromen, spookten vormloos voor haar ogen,-toen vloeide warm het bloed naar haar hart terug, achter het grasperk vandaan kwam een lievend paartje omstrengeld, en het meisje kende ze, een vriendelijk, blond kind, uit haar eigen straat, in blij gebabbel voortgaand aan de arm van haar vriend. En
226