Vooral de beide laatste regels, waar de melodie als sidderend in diepten van smartelijke herdenking onderging, hadden haar heftig aangegrepen en waren haar bijgebleven, dagen lang. En de bittere zelfaanklacht van het:
'Ach die zonden, ach die zonden, Altoos in mijn hart gevonden. Meester van mijn gans gemoed.'
Maar boven al het andere uit, ontroerde haar het machtigst-en ze kon het niet keren, niet weerhouden, ze had al haar kracht nodig om erover te waken dat geen der anderen het merkte-die beide paren regels welke van bovenmenselijk geduld en bovenaardse edelmoedigheid gewaagden:
'Zo hef had hij zondaars, dat hij voor hen stierf, Genade bij God door zijn zoenbloed verwierf'
en
'Sprak hij "Vader, o vergeeft hun, Die niet weten wat ze doen."'
Dat laatste dan nog het diepst, om dat verzinken van de melodie...
Ook werd bij het 'Er ruist langs de Wolken'de bekoring verbroken door het slotvers, dat aanving met: 'Nu buigt zich dan alles voor Jezus in 't stof' en dat een gevoel van onwil in haar gaande maakte met het stellig besef, dat ze niet wilde zich in het stof buigen, maar wel bewonderen en in bewondering navolgen... En, vreemd, nadat melodieën en woorden zich allang in haar hadden gescheiden van het haar afstotend uiterlijk en de manieren der 'fijnen',-behielden toch de namen 'Jezus' en vooral 'Heiland' de onaangename bijklank van hun femelende, zelfverzekerde schijnheiligheid.
Toen was haar dat bleke beeld verschenen; in die zonderlinge mijmerstaat, daar boven op de warme schemerige zoldering, waar
225