Zo liefhad hij zondaars, Dat hij voor hen stierf,
Genade bij God door zijn zoenbloed verwierf.
Een schrik was door haar heen gedaverd, als ware verraderlijk een boze vijand bij haar binnengeslopen; van de schommel afgesprongen, de ogen wijdopen, trillend op de benen, had ze 't duister van de zolderruimte ingestaard.
Nu nog, nu ze hier rustig zat in de gouden herfstzon, op een bank in het park, waar 't metalig dreunen van de onzichtbare machine een zoete, vertrouwde sfeer van Sabbathrust en veiligheid schiep, nu nog kroop in 't herdenken de kille benauwdheid haar langs de huid, de verbijsterende schrik van dat ogenblik en de vrees, onmiddellijk daarna, de vrees voor de straf die komen ging, die komen moest.
God las immers gedachten, hij had de hare gelezen, in 't ogenblik-zelf dat die zich aan haar zelf had geopenbaard, en onvermijdelijk stellig zou hij nu zijn bliksem op haar neerslingeren. Ze had, hoe kort ook, 'vreemde goden aanbeden'-gezondigd tegen het grootste gebod- ze was met haar gedachten geweken van het rechte pad, als Korach zou ze verzwolgen, als Uza op de plaats gedood, als de vele slechten, de vele afgodendienaars, waarvan de Geschiedenis sprak, neergebliksemd en uitgeroeid worden!
Wat was ze bang geweest! Hoe was plotseling om haar heen de vale, matte stilte bevolkt geworden door onzichtbare gedaanten, waaruit ogen haar aanstaarden, die ze zelf niet anders waarnemen dan enkel en alleen voelen kon, die op haar priemden, ondraaglijk, hoe scheen in alle duistere hoeken een geschuifel en gefluister aan te vangen, en was het levenloze ineens afgrijselijk levend geworden. Die warme, vale schemer, dat ene, star-ogende raam, die ruimte van onzichtbare schimmen vervuld,-het Gehenna, waaraan ze in het donker zelfs niet denken dorst, het Dal-des-Doods, de eeuwig-schemerige plek voor wie zondig geleefd hadden en vervloekt waren.
Lang had het niet geduurd, lang had het niet kunnen duren, maar dat ene ogenblik zou ze nooit vergeten, toen was ze naar be
223