latente afkeer, haar altijd sluimerende wrok tegen het ene vloeide onweerhoudbaar ook over het andere uit.
Thuis werd haar noch afkeer noch haat tegen Christenen en hun geloof rechtstreeks ingeboezemd. Maar in de toon waarop vader over het gajes sprak, lag verbittering en minachting en ook wel vrees,-en de naam van Jezus, die ze vanzelf beschouwde als de Godheid der Christenen, werd thuis nimmer genoemd,-hij werd slechts, als 't voorkwam, aangeduid met een Hebreeuws woord, dat 'de Gehangene' betekende. Doch ze had daar nooit bijzondere aandacht aan geschonken. Want niets van dat wat op Christendom, op het innerlijk leven van de Christenen betrekking had, had ze ooit eerder met haar bewuste gedachten beroerd, 't behoorde eens-voor-altijd tot het 'andere', tot een wereld, die de hare niet raakte en niet na stond en waarbij ze op geen enkele wijze betrokken was. Het was slechts de klank der melodieën, het uiterlijk der woorden, 't welk haar door associatie van voorstellingen die vage weerzin inboezemde, over de betekenis, over de inhoud had ze nimmer nagedacht, die drong zelfs niet tot haar door.
Toen was dat alles veranderd. Langzaam-aan of plotseling? Ze wist het niet meer.
In het vloeiende en vlotte van haar herinneringen één vast punt.
Op de zolder bij haar thuis, hing een schommel, twee touwen en een plankje, laag boven de grond...
Die zolder was een vaal, naargeestig hol, door één klein raam verlicht, met duistere hoeken, zo vochtig, dat er 's winters paddestoelen groeiden onder tegen de donkere binten aan.
In een diepe, muffe kast werd er het gebloemde paas-servies, het vrolijke, mooie, dat aan heilige feestvreugde en voorjaar denken deed, de lange winter door bewaard. Leende hield van de zolder zoals ze van het steegje hield,-om er in de kou alleen te zitten en door het raampje te turen over daken en erven, in herfst en winter, tegen het vallen van de avond, vooral als het dooide bij sneeuw, en dan tegelijkertijd te luisteren naar de geluiden beneden, waar ze het warm en gezellig wist en waar ze stemmen hoorde en het tikken van het glas, het ritsen van de ketting, als de lamp neergehaald
221