'Nee, ik zal het heus niet zeggen,'-wenkte ze geruststellend naar Jeltje, die haar dreigend aankeek met haar helle ogen,-'je moest ook het hart eens hebben,' seinden de ogen haar terug, zo duidelijk en minachtend, dat Leentje zich niet eens edelmoedig kon voelen.
'Wie hebben er alzo gekeken, Leentje, onder 't bidden?' vroeg de juffrouw, het linkeroor, waaraan ze een weinig doof was, naar haar toe neigend, een ongewone zoetsappigheid in haar stem.
Fietje Groot's ogen smeekten, die van Jeltje bleven dreigen. Achteraan verried nog een ander gezicht zich duidelijk schuldig aan wat Leentje niet eens opgemerkt had. Plotseling besloot ze, die zou ze verklikken, want als ze zei 'niemand', dan geloofde de juffrouw haar toch niet. Er was er immers altijd minstens één, die stilletjes rondkeek onder 't bidden.
'Doortje Wijnberg, juffrouw.'
'Alweer,' hoonde de juffrouw.
'Niet waar,' huilde Doortje als op commando.
'Wel waar, juffrouw, 'k heb het zelf gezien,' ijverde Doortje's buurvrouw, die nog een oude wrok tegen haar had.
Een gierend joelen volgde,-zelfs de juffrouw lachte even, achter haar hand. Die lapte pas lekker zich zelf er bij!
'Jij verklapt je-zelf al, Neel,' constateerde de juffrouw kalm. Woedend, beschaamd, zich belachelijk voelend en niet wetend waar zich te bergen, keek Neel pruttelend voor zich.
'En wie nog meer, Leentje?'
'Verder geen mens,'jokte Leentje.
Jeltje en Fie keken verlicht. Maar de juffrouw bauwde spottend na.
'Zo, verder geen mens. Nu heb ik vandaag juist zelf eens gekeken. Bedriegen mijn ogen mij, of hebben Jeltje en Fietje onder 't bidden iets veel ergers gedaan dan rondkijken alleen..., hebben ze misschien ook tegen elkaar gelachen?'
De beide schuldigen wisselden een wanhopige blik, sloegen dan in afwachting de ogen neer. Ook Leentje, vuurrood naast de stoel, dorst niet opzien, zich niet verroeren. Boven haar snerpte de stem van de juffrouw boze woorden naar haar toe.
'En jij, lelijke jokkenaarster-om maar niet iets ergers te zeggen-
211