heb jij thuis niet geleerd dat liegen een hele grote zonde is? Liegen en ongehoorzaamheid! Nee, ga alsjeblieft maar niet huilen, die tranen kennen we! Krokodilletranen!' Even hield ze op. 'Wie heeft de week?'
'Ik juffrouw,' stak Wies van de deftige diaken haar vinger op, in blijde hoop voorvoelend wat er volgen moest.
'Zo, jij Wies,-ga jij dan maar naar huis, dan kan die bedriegster hier vandaag opbergen voor haar straf. En Jel en Re,-denk eraan, als ik je weer snap,-dan krijg je elk twaalf naadjes straftaak en een briefje mee naar huis voor je vader. Jou zal ik maar geen briefje meegeven,' voegde ze er minachtend naar Leentje bij, die stil te snikken stond naast de stoel.
Jel en Re lachten grinnekend tegen elkaar met brede monden, de ogen vol vrolijkheid na de angst van één ogenblik.
Doortje en haar buurtje wachtten nog even af wat de juffrouw over haar besluiten zou, maar de jufiErouw haalde het haakwerkje al uit, waar ze zich gewoonlijk na schooltijd mee bezighield en toen verdwenen zij ook maar gauw met de overigen de deur uit, de trap af en beneden de straat op.
Leentje schreide niet langer, ze wiste zich de ogen af en begon te ruimen,-ze moest dan daarna nog bijvegen, luchten en matjes-uitschudden ook-de eerste ogenblikken leek alles doodstil, na 't rumoer van daareven,-maar dan hoorde ze hoe nu langzaam-aan nieuwe, fijnere geluiden het ruwe gerucht vervangen kwamen; in de boom naast het huis, waarvan de groene takken plat lagen tegen het raam, zacht-tintend met tere schaduwveegjes door het matglas der onderste ruitjes, joelden vrolijke mussen, een jong hondje kefte beneden in het tuintje van de buren, een man met pruimen riep loom en moedeloos in de warmte,-orgeltonen kwamen uit de verte dromerig de karig-open ramen in. Het was herfst, gouden, milde herfst, elke dag wazig blauw, bladstil, geurig van bedauwde vruchten, van paarse en gouden bloemen in weelderige overvloed.
Leentje was eigenlijk blij dat ze hier alleen achterbleef in afleidende bezigheid, die toch niet meer dan haar halve aandacht vroeg, zodat ze nu nadenken kon en tot zich zelf komen omtrent het benauwde geheim dat ze binnen in zich droeg, maar met de juf
212