Meteen zette ze zelf het gezang al in.
De meisjes hadden nauwelijks tijd gehad, hun gezicht in de plooi te trekken en zongen ruw-weg, op goed geluk af, de oud-bekende woorden mee.
Zonder overgang liet ze daarna dadelijk op het lied het slotgebed volgen.
'... en ik dank U, dat Gij ook heden weer het werk onzer handen in Uw eindeloze goedheid hebt willen zegenen, o Heere-, Amen.'
Alsof het deksel van een pot-vol-rumoer werd afgelicht, die al lang had staan dreigen met overkoken, zo barstte onmiddellijk na dat 'amen' uit alle hoeken van het warme, volle vertrek, onder de lage zoldering, het joelen en praten los. Terwijl de meisjes met rappe vingers htm rommeltje bergden, snapten haar monden elkaar afspraken toe. Jeltje Bruinsma, een sterke meid met helle ogen en rood haar was jarig, een paar der anderen zouden bij haar komen spelen. Onder het gebed al had ze zitten wenken tegen Fietje, wat een pret ze straks hebben zouden.
'Mogen we weggaan, juffrouw?' Het verlangen om weg te komen, de zonnige straat op, dreef haar lichamen vanzelf in de richting der deur, maar ze dorsten toch niet werkelijk gaan zonder toestemming.
'Even wachten..' gebood de juffrouw, 'Leentje, kom hier.'
Ze wenkte het kind naar haar hoge stoel.
Hoogrood van zenuwachtigheid, de voetjes gehoorzaam naast elkaar stond Leentje er al, schriel in het donkerblauw jurkje, waarop de twee gladde, bruine vlechtjes met zwarte strikjes afhingen-en angstig voor wat ze wel wist dat er komen ging, hief ze het gezichtje naar de juffrouw op.
Moest ze nu toch weer zeggen, wie er onder 't bidden de ogen niet dicht gesloten hadden? Ze dacht juist, dat de juffrouw haar van die hatelijke taak ontheffen ging, in drie dagen al had ze niets gevraagd. En nu ineens toch weer. En ze had er ditmaal juist in 't geheel niet op gelet. Ze had heel wat anders aan het hoofd. De juffrouw moest het maar eens weten! Toch was het haar niet ontgaan, dat Jeltje Bruinsma niet opgelet had en gewenkt naar Fietje Groot, maar ze zou het niet zeggen.
210