heeft mag niet-jij hebt geen taak-, dat is toch duidelijk genoeg, zou ik zeggen.'
Ze wenkte haar minachting over Leentje's domheid in een mond-vertrekking naar Wiesje Tak, het kind uit de grote drogisterij, wier vader diaken, en die zelf haar deftigste leerling en haar Heveling was. Wiesje vertrok haar bleek mondje in een nuffig lachje.
De meisjes die meededen, schoven bij elkaar, breiwerk in de hand. Wie een pen af had, moest zeggen 'houd-de-molen'-,het kind dat 'de molen hield' moest die uitroepen optellen en tot haar, die de vijftiende pen voltooide, zeggen 'houd-'m-zelf', die was daarna aan de beurt.
De overige kinderen mochten zelf niet tellen, ook niet in gedachten, ze mochten ook niet opzettelijk vlug of langzaam breien, 't moest eerlijk toegaan en een verrassing zijn.
In de hitte breiden ze met driftige ijver haar pennen af-, de stalen naalden waar de zon op sprankelde vloeiden zilver-wit uit in 't snelle op en neer gaan. De meisjes die een taak voor thuis hadden, breiden ontevreden, traag als zaten ze te kieskauwen, met jaloerse blikken naar 't bevoorrecht kringetje.
'Houd-de-molen'... 'houd-de-molen'... 'houd-de-molen,' klonk het telkens jachtig, in gretig wachten op het 'houd-'m-zelf'.
'Jij hebt geteld,' brak Trientje's driftig uitvallen ineens de vredigheid. Ze boog zich naar een meisje, dat gluiperig langzaam zat te breien, met een sluwe rondblik langs de breikousen der andere meisjes, hopend dat haar 'houd-de-molen' de vijftiende zou zijn.
De aangevallene verweerde zich-, enkele der anderen kozen over en weer partij, maar een klein ineengedoken kind, met zo koortsachtige haast breiend, dat ze er van heen en weer schudde op haar stoel, stootte plotseling buiten adem haar 'houd-de-molen' uit. 'Houd-'m-zelf!' riep Trientje triomfantelijk-want het kleine meisje was haar zusje en de andere was nu lekker gefopt. Dat kwam van vals doen.
'Mogen we nog even met tien, juffrouw?' vroeg Trientje's zusje, een bloedrood gezichtje naar de hoge stoel opheffend.
Juffrouw De Boer keek weer op haar horloge. 'Neerleggen,' klonk haar bevel. 'Er Ruist langs de Wolken.'
209