misschien ook de kar al weg.
Maup, zoet, gehoorzaam ventje wankelde tussen de vrees voor vader-die altijd alles te weten kwam, niemand wist hoe-en ontzag voor de grote broer, maar Leentje kwam plotseling op een inval. Als Japie haar toch trakteren wilde, kon hij haar beter vijfcenten lenen voor een boek. Ze vroeg het hem flemend, verzekerend dat ze immers toch, in geen geval, van hem klikken zou, hopend dat hij in zijn goedbroederlijke stemming van zoëven zich zou laten verbidden.
'Morgen, als we vasten moeten, zie je, en als het dan zo warm is en mijn boek is al uit.'
'Wat je vasten noemt! Een halve dag en dan tegen de middag de klok nog vooruitzetten.'
'Dat doe ik niet,' zei Leentje geprikkeld, 'dat heb ik maar één keer gedaan en toen was de klok trouwens echt achter.'
Ze zweeg en wachtte geduldig tot ze met hun ijswafel-Japie een dikke van vijfcent, Maup een dunnere van drie-klaar zouden zijn; ze had er nu eigenlijk graag ook zelf een gehad, maar haar verlangen naar een nieuw boek was sterker. Het was toegenomen zonder dat ze het wist, in de lome zondagsstemming op straat, waar 't leven om haar stond als een flauwe walm. Onbewust reikte haar geest naar een ander leven, voller, dieper, werkelijker dan dit onwezenlijk, laf zondagmiddagbestaan.
Daarom taalde ze nu niet naar ijs.
De jongens veegden zich de mond af met hun zakdoek, toen, voldaan na de koele verkwikking, gingen ze verder. Maar Leentje bleef aanhouden.
'Heb je dan dat malle boek van vandaag alweer uit?' vroeg Japie, minachtend, toch niet zonder ontzag omdat ze zoveel lezen kon.
'Mal boek! 't Was prachtig !Ja, ik heb het uit. Hè toe, leen me vijf centen voor een ander, volgende week krijg je ze terug.'
"t Mens zal denken datje ze opeet,' spotte de jongen, 'vanmorgen pas een en nu alweer een nieuw.' Hij bleefineens stil staan,-een ondeugende flikkering in de ogen.
'Je moet zeggen datje 't al gelezen hebt, dan geeft ze je een ander voor niemendal. Alsof je 't maar bij vergissing meegenomen had,
198