beneden lopend als grillige rivieren, zich vertakkend, eilanden vormend, waaraan dorpen en steden lagen, gebergten die donkere vochtplekken, geelgrauwe knobbels en raspige builen waren.
Daar gebeurde alles wat ze in haar boeken las, daar bleef het geborgen, daar kon ze, wat mooi of aandoenlijk was, zo vaak ze wilde, alleen door zich starend erin te verdiepen, opnieuw beleven.
Ze hield van de mensen en van de eenzaamheid, van vrolijkheid en van zoete droefenis bijkans evenzeer,-en daarom was dit doodse steegje haar lief-dat bij winterdag, in sneeuw of dooi, zo eindeloos droef en bar-verlaten wezen kon, met donker vocht langs de muren, de torrenwereld dan uitgestorven-het was haar lief, omdat moeders veilig huis dan warm en blij vlak er achter lag, waarvan ze de geuren ruiken, de warmte ademen kon, zo ze maar wilde. Ze sloot er zich op, nu, op deze zomerdag achter het vale deurtje met de ijzeren klink,-in een voortdurend, halfbewust besef, dat ze het elk ogenblik verlaten en de dag en de mensen tegentreden kon, en dat er de hemel blij en wijd hoog boven stond, waar vogels de stralende ruimte kliefden. Zo had ze alle dingen tegelijk en genoot haar vele verschillende begeerten in één adem.
Een boek lag naast haar, een boek uit een leesbibliotheek in een vaalbruin, beduimeld omslag, beplakt met groezelig etiket. Ze had het al uit. Al weer voorbij, dat zalige, zoete leesgenot, dat al te kort maar duren mocht, dat ondergaan, dat opgaan, geslingerd worden, meeleven in bange benauwenis, meejubelen in stralende blijdschap, zodat soms de tranen stroomden en dan weer haar adem hokte, dat zien opbloeien van landschappen en verschieten, schoon als geen werkelijkheid ze ooit te genieten gaf en die ze dan voor altijd borg op de geheime plekjes.
De Negerhut was nu verdrongen, vergeten voor dit verhaal-Het Kasteel Montmorency-waarin ook, zij 't anders, zo heerlijk werd geleden en gebeefd en gehoopt en eindelijk stralend getriomfeerd! En nu was dit ook al weer uit,-en opnieuw dat gevoel van kilte en droefenis, een weeë verscheuring, als na een afscheid voor eeuwig,-want nooit nam ze een boek voor de tweede maal ter hand, in onbewuste vrees, iets van het glanzende te zien vervallen, als kleuren-stof van vlindervleugels.
192