II
Zondagmiddag was het, brandheet, Leentje lag ruggelings languit op haar 'leesplekje', met de ogen halfgesloten, vaag-turend tussen de wimpers door, waar regenboogtintjes wemelden, het donkere steegje in. De knieën hield ze wat omhooggetrokken, de handen onder 't achterhoofd gevouwen. Van achter haar, uit de open deur, die 't huis binnenleidde, stroomde zon, door 't achterraam invallend, als een vloed van goud over haar heen, zodat haar donkerlok-kig hoofd in glans en warmte baadde en de bovenhelft van haar gezicht, tot haar neus; de rest bleef in schaduw, want voor haar uit lag 't snijding-nauwe steegje, eeuwig verstoken van zon, dof-donker als altijd, de regenput groen uitgeslagen, de stenen hobbelig en kil, de vochtige hoek, waar de torren krioelden, een muffe geur verspreidend. Moeder begreep maar niet, wat Leentje daar toch zocht en waarom ze liever op de stoffige mat, op de kale planken van dat achterportaaltje alleen lag te lezen of te suffen, dan in de woonkamer met de anderen. Maar Leentje hield dol van het steegje. Het sloot haar van de wereld af en liet haar toch met eenzaam. Want achter haar was moeders huis en buiten het poortje met de klink, dat ze naar believen dichthouden kon, ging gedurig het leven voorbij,-nu kalm gerucht van mensen op zondagmiddagwandeling-en door de reet beneden kon ze, zo ze wilde, hun net-ge-schoeide voeten drentelend voorbij zien gaan.
Hoog boven de grauwe muren stond bovendien de lucht diepblauw,-de smalle strook, die zij zag, liet licht genoeg de wijde oneindigheid raden,-daar was de tuimte en onderlangs de blauwe baan, boven de afgrond tussen dak en dak, vloog menig keer een schaduwzwarte of zilverwit belichte vogel voorbij.
En in het steegje, op geheime plekjes, borg ze al het verre, dat ze niet eens in werkelijkheid begeerde te zien, nu ze het zo gemakkelijk naar zich toe halen kon,-'t was er weggelegd als in kastjes, die niemand kende, zij hoefde ze maar te ontsluiten met sleutels, alleen in haar bezit, om er volop en altijd van te genieten. De grauwe muur van 't buurhuis-veel ouder dan het hunne-was vol kloven en vegen, doorspleten met kronkelende barsten, van boven naar
191