vergeetmenietachtige plantjes met diep-paarse bloemen. Plukjes gouden knoopjes en tuinmadelieven, wit van binnen, hoogrood van buiten, bloeiden terzij naast het huis tussen het gras. Daar was ook een kleine veranda uitgebouwd en de kwekersfamilie zat er soms rondom een tafel met thee, of ze dronken uit een grote glazen kom morellen-op-brandewijn, 's zomers, als 't buiten heel warm was. Maar hoe het weer mocht wezen, regen of brandende zon, altijd heten ze haar buiten op de stenen staan, nimmer werd ze bin-nengenood, nimmer met een woord te veel toegesproken; de kweker zelf, met zijn steenrood gladgeschoren gezicht, ontnam haar 't mandje en liep er mee de tuin in-, ze mocht hem niet volgen, hoe graag ze had gewild, tussen de malse groene bedden tot waar, achter de krozige sloot, de koeien stonden, ver weg in de wazige weien-, ze moest blijven staan onder de blikken van die mensen, die plotseling zwegen en naar haar keken, precies zoals juffrouw Koeman over haar onderdeur, zonder ergernis of haat, maar met koele geringschatting, zoals een hoger wezen naar een lager kijkt.
Leentje hield dus niet van 'fijnen'. De grauwe gevel van "t fijne school' boezemde haar weerzin in en de tekst boven de ramen haatte ze onbewust, hun languitgehaalde kerkgezangen joegen haar soms rillingen van afkeer over het lijf, want het verband tussen dit alles en de minachting van juffrouw Koeman, het plagen en sarren der fijne kinderen was innig en onverbrekelijk. Het 'gajes'-de Christenen in het algemeen-had ze van huis uit en van jongs af leren kennen als het 'andere', het verwijderde, het altoos min-of-meer vijandige, maar het 'fijne gajes' werd in haar huis en Joodse omgeving verreweg erger dan de rest geacht.
Bij de intimiteit van de drie, die innig gearmd, hoofden bijeen gestoken, naast haar gingen, liep ze alleen, schichtig, bijna tegen de heggetjes gedrongen in het smalle straatje.
'Hoeveel broertjes en zussies he-je?' was op de eerste vraag gevolgd.
Ze vertelde aarzelend, dat ze een broertje Japie en een broertje Maurits had, zich afvragend of die namen niet Joods, niet belachelijk klonken, zich beijverend de au in Maurits uit te spreken, zoals de
183