Tegen de dwang (verhalen)

Titel
Tegen de dwang (verhalen)

Jaar
1907

Druk
1981

Overig
herdr 1981

Pagina's
248



frouw De Boer-, waar enkel 'fijne' kinderen gingen en zij het enige Jodinnetje was.

'Waar woon je?' klonk het naast haar, in een boers-zangerig dreuntje-,en duidelijk hoorde Leentje dat dit schuldeloze vraagje maar een inleiding was tot een dier honende verhoren, welke op school en overal de Christen-kinderen haar zo vaak deden ondergaan.

Ze had een afkeer van de 'fijnen'-, omdat de kinderen van 't 'fijne' school haar en haar broertjes en geloofsgenootjes plaagden, valser en geniepiger dan de kinderen van haar eigen school, de openbare. Voor haar zat bovendien het begrip 'fijn' vastgeklonken aan 't beeld van oude juffrouw Koeman, met haar streng, scherp, uitvorsend gezicht, waar nooit een lach op scheen, die bij haar in 't straatje woonde en zó koud-minachtend van boven haar hoge onderdeur op haar neer en haar na kon kijken, wanneer ze voorbij kwam, dat ze zich soms van schaamte en machteloze gram verkrimpen voelde. En dan die dag in de vorige zomer, toen ze met vijf, zes kameraadjes naar de witte-rozenstruik had staan kijken, waar zo'n zoet, flauw stijfselluchtje van afwoei en juffrouw Koeman de anderen ieder één-aarzelend uitgekozen, zorgvuldig afgeknipt, bijna uitgebloeid-bloemetje gegeven had-, en haar-alleen liet toezien, zonder een woord, zonder een blik, als bestond zij niet, als was zij lucht. Gebruld van het huilen had ze toen, om de belediging, de sarrende koude vernedering, in eenzaamheid de vuisten gebald, wraak gezworen in haar hart.

Juffrouw Koeman nu was fijn.

De groentekweker in de Bloemstraat was óók fijn. Soms moest Leentje er pieterselie en preitjes halen voor de soep van vrijdagavond. Ze liep dan de gesloten, ongastvrije voorgevel met de bruine deur en de kraakstijve venstergordijnen van het kwekershuis voorbij en ging ter zijde achterom de kwekerij in, waar de vierkante vakken spinazie en sla en wortelen en ander kruid zich uitstrekten tot diep het weiland in. Vooraan stonden onder een lage appelboom wat bloemen, boerenlelies en stokrozen rondom een stenen regenput, bij de pomp, waar de gele keien altijd vochtig waren en de grote klompen stonden naast het siepelend gootje, groeiden welig

182

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.