Het straatje waar ze gingen was smal-, kleine, oude, maar frisse huisjes aan de ene kant, onder-en-boven-deurtjes, klompen in 't voorhuis, houten stoepjes, voor de ramen achter hekjes van wit-getopte groene latjes, geranium en reseda en goudsbloem en violieren, een warreling van bonte kleuren en veeltintig groen, soms halfhoog bij de smalle ramen omhoog. Aan de overkant de bijbehorende tuintjes, achter donkere doornheggetjes, waarin hier en daar de roomwitte knopjes op openspringen stonden-, sommige tuintjes als boeketten, één en al bloem, andere poppig verprutst tot miniatuur-parkjes met onbegaanbare schelpenpaadjes, een vijvertje als een goudvissenkom, waar stukken kurk en groene sprietjes de 'rotspartij' verbeeldden-;achteraan was dan soms nog een kippenhok als een kasteel of een duiventil als een kerk, vol vergulde weelde van torenspitsjes en blinkende bollen en starre wimpeltjes boven de lilliputterige poortjes en raampjes. Leentje liep graag langs zulke tuintjes, vooral tegen de avond, als de mannen van 't werk thuis waren en pijpjes rookten in blauwe boezeroenmouwen, op de houten stoepjes.
Iedereen zei dan in 't voorbijgaan de anderen goedenavond, zij ook, en dat gaf zo'n zacht gevoel om het hart, als wilde ze eigenlijk veel meer en veel inniger woorden dan enkel goedenavond tegen de mensen zeggen. Maar dan moest het vooral ook naar koffie ruiken, naar koffie, die in keteltjes te koken stond en door de tullen gordijntjes moesten de lichtjes gloren. Ook moest het een klein beetje ruisen hoog boven haar hoofd in de bomen en de lucht daar-door-heen moest nog evenges licht, maar onder de bomen moest het al bijna duister zijn. En dan ging ze ook liefst alleen-,en telkens als ze bij een groepje kwam, dat op een stoepje of onder een hoge, donkere boom zat en goedenavond zei-je zag nog nauwelijks, wie de man en wie de vrouw was, maar 't bleef hoorbaar aan de stemmen, die van de man donker en effen, die van de vrouw neuzig-dreu-nend-, dan kwam dat zachte gevoel om het hart en iets alsof je, twee drie stappen ver, niet Üep, maar zweefde of gedragen werd...
Dit straatje kende Leenq'e niet zo goed als haar eigen straaq'e en het daaraan grenzende, want ze was vandaag voor 't eerst naar haar nieuwe breischool geweest-, de Christelijke breischool van juf
181