lieve man. Leentje was altijd blij, als ze, thuiskomend uit school, hem onverwacht aan tafel zitten zag. Hij was 'gazzan' in een dorp ver weg, had veel kinderen en kwam altijd geld te kort. Tante Bertha was ook zo vaak ziek. Die kwam maar zelden mee. Prettig was het, gasten uit andere oorden thuis te hebben. Als ze lekkers meegenomen hadden, balletjes of vijgen, bewaarde zij stilletjes de zakjes-oom Izak kwam uit de buurt van Steenwijk, heel ver weg, oom Wolf uit Leiden, tante Reggie helemaal uit Dinxperlo-en dan las ze daar de onbekende namen van de winkels op, en van de straat en ze rook eraan en dan leek alles zo bijzonder. Eigenlijk was ze blij, dat oom Wolf en oom Izak en tante Reggie zo ver weg woonden en ze er zeker voorlopig niet weer heen zou gaan, sinds ze er als klein kind eens eenmaal was geweest, want waar ze vaker kwam, daar was niet langer het bijzondere meer.
En haar hart trok ook niet naar het verre, maar wel om iets van het verre dichtbij zich te hebben!
Eens waren ze met vader te voet naar een dorp in de buurt gegaan, meer dan anderhalfuur weg, een dorp, waarvan ze tot dan alleen de torenspitsen en de omtrekken had gekend. Vader moest daar wezen, om oude kasten en tinnen kruiken op te kopen. Op de terugwandeling had ze toen een steen voortgeschopt naar huis toemet haar broer Japie samen, alsof het maar een spelletje was, zo beurtelings een schop-omdat aan een steen uit een ver dorp het 'bijzondere' was, en ze dan later naar dat dorp heel anders kijken zou, met die steen in haar hand of in haar kastje-, als had ze het verre daaraan naar zich toegehaald.
Ze schrok op uit haar mijmeren. Vreemd, hoe was ze ineens in haar gedachten op die steen en de langgeleden wandeling gekomen? Ze had geen tijd tot 'omgekeerd denken', zoals ze noemde het terugtasten in haar gedachten naar haar uitgangspunt, want drie meisjes van de breischool, die haar blijkbaar hadden opgewacht, kwamen aarzelend, innig gearmd, vooralsnog zwijgend, maar met spot om mond en ogen naar haar toe.
Leentje wilde zich ferm tonen en doorstappen, ze kreeg een kleur, ze voelde haar bloed bonzen door haar lijf, maar ze hield zich parmantig.
180