I
Het avondlied was geëindigd. Leentje, die niet meegezongen had, nauwelijks geluisterd, zozeer waren haar gedachten vervuld met wat haar zo meteen te wachten stond, keek op en om zich heen. Haastig, verlangend weg te komen, rolden de meisjes haar breikous op, vouwden het naaiwerk ineen-de mandjes en doosjes bleven staan op de tafels voor het meisje dat de week had-en drongen lachend, gedempt pratend, de deur uit, de smalle trap af, naar de buitendeur. Die klompen droegen, rommelden daar met nodeloos lawaai de eigene op uit de dooreengegooide hoop en ze trokken met veel bereddering de straat op.
Was het waar, vroeg Leentje zich af, dat ze allemaal met een wrede nieuwsgierigheid, een soort belustheid, naar haar gekeken hadden, of was het alleen de verbeelding van haar eigen angst? Dat ze, althans enigen van hen, haar nu opwachtten, om haar te ondervragen, daarvan was ze overtuigd. Ze had wel haar bevelen en vermaningen van thuis: altijd maar zeggen 'ik weet het niet', maar zou ze daar mee uitkomen ?Jawel, vader en moeder hadden gemakkelijk praten! Het ging toch niet aan, op de onnozelste vragen als een klein kind te antwoorden, dat ze 't niet wist.
Ze was elf jaar-, maar zo klein, dat ze gewoonlijk voor negen aangekeken werd. Op school, waar ze in de hoogste klas zat, zonk ze bijna weg in de wijde bank, haar buurvrouw stak daar een hoofd boven haar uit-, maar zij kon en begreep van allerlei, dat de anderen niet wisten en begrepen. De meester mocht haar dan ook wat graag. En als hij wel eens een enkele maal zei 'dat kleine Jodinnetje daar'-omdat hij zo gauw op haar naam niet kwam: Leentje Levis-son-dan bedoelde hij het vriendelijk en hij zei het ook vriendelijk.
Maar toch deed het haar pijn, want de anderen lachten en dat was niet zo vriendelijk bedoeld.
En had vader het geweten, die zou er niet tevreden mee zijn geweest. Of oom Izak. Die kon pas vinnig worden. Daar moest je voor oppassen! 'Beis Eizakkie' noemden ze hem-,omdat hij zo driftig wezen kon en de hele familie was bang voor hem. Toch een
179