en ze kon op haar gemak, vóór het sleepbootje met zijn logge kameraad de brug had bereikt, er onder door en aan de andere zijde zijn. En daar was dan de bewoonde wereld en het werfje lag er, waar ze haar bootje brengen zou en waar het koffielicht scheen achter het raam over het water,-en verder was daar moeders huis, ze zou wel beknord worden, maar gauw genoeg zou 't in een zoen weer goedgemaakt zijn, moeder bleef nooit lang boos, de kleine Lea voelde zich ineens volstromen van verlangen naar moeder en naar huis, naar het stadje, naar mensen om te zien en tegen te praten,-ze was nu ook wel moe en duizelig van het turen, en zat van peinzen in eenzaamheid...
In de zekerheid, dat ze lang voor de sleepboot en het bruine schip genaderd waren, onder de brug door kon zijn, roeide ze nu rustig, zonder verder achter zich te zien, een paar slagen verder. Maar dan stokte haar hart van een afgrijslijke schrik, in een rilling glipten haar de riemen uit de inenen met vale slapheid geslagen handen. Achter haar, boven haar, rondom haar vulde zich de wijkende lucht met golven van gerucht en een brede, zwarte, kille schaduw sloeg over haar heen, doofde de gouden glanzen van het water aan weerszijden van haar boot, als de vlerken van een onheilbroedend zwijgend spooksel. Even zat ze als verdoofd, als ging ze versmelten en sterven van schrik, toen onderscheidde ze stemmen, angstig roepende, hees krijtende stemmen, rechts boven haar hoofd en haar blik vloog terzij en stiet tegen een hoge donkere wand, vlak naast haar, en radeloos klom haar blik langs die wand omhoog; over de verschansing van een grote, zwarte boot, onverwacht door de brug te voorschijn geschoten, hingen mensen, mensen met bleke gezichten, met schreeuwende monden, met handen die wuifden en wenkten, tegen haar oren ketste een wild gekrijt, een enkele verwarde klank drong binnen,-het duurde alles maar enkele seconden,-lam van schrik zat ze en staarde, het was als kwam die grote zwarte boot vol mensen hellende op haar vallen, instinctief bukte ze het lijf ter zijde om het gevaarte te ontgaan. Eén schrille stem klonk ineens boven het roepen en gillen uit en haar nog in de oren: 'pakje riemen'-verstond ze duidelijk in haar doodsangst. In een angstgreep omklemde ze de einden, sloeg in het wilde weg, en botste tegen de boot, die ze
174